Fatima
Op de 12e en 13e van elke maand draagt Onze Lieve Vrouw deze kroon
De Boodschap van Verzoening van Fátima
„Als ik het vuur dat in mijn borst brandt en mij de Harten van Jezus en Maria zozeer doet beminnen, in elk hart kon werpen!” (H. Jacinta Marto)
„Ik wil de Verlosser troosten en vervolgens de zondaars bekeren, opdat zij Hem niet meer beledigen!” (H. Francisco Marto)
Offer jullie op voor de zondaars en zeg vaak tot Jezus, vooral als jullie een offer brengen:
O mijn Jezus, het is uit liefde voor U, voor de bekering van de zondaars, voor de Heilige Vader en tot herstel van de zonden begaan tegen het Onbevlekt Hart van Maria.
(Maria in Fátima op 13 juli 1917)
Herinneringen van Zuster Lúcia uit het Portugese origineel
Verzoen u met God (2 Kor 5,20)
Wanneer God, gedreven door Zijn barmhartige liefde, Maria met een boodschap naar de kinderen der aarde zendt, ligt daarachter het verlangen van God dat wil dat alle mensen gered worden. (1 Tim 2,4)
Maria komt als het ware als de Moeder van de Goede Herder om de schapen van haar Zoon aan de heilbrengende waarheden van het Evangelie te herinneren.
Wie van u, die honderd schapen heeft en er één verliest, laat dan niet de negenennegentig in de woestijn en gaat het verloren zoeken tot hij het vindt? En wanneer hij het heeft gevonden, legt hij het vol vreugde op zijn schouders …
Ik zeg u: zo zal er ook in de hemel vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert. (Lk 15,4)
„Het licht dat haar edele gestalte op alle verschijningsplaatsen omstraalt is een aanvalsfront tegen de duisternis waarin de zondige wereld dreigt te verzinken. […] Zij vraagt, smeekt en weent. Zij weent in de Rue du Bac te Parijs op 18 juli 1830. Zij weent te La Salette in 1846, en Léon Bloy schrijft over haar tranen dat ze de meest hartverscheurende zucht waren die ooit in de wereld gehoord werd sinds het Consummatum est – Het is volbracht aan het Kruis. Zij weent op 21 februari 1858 te Lourdes, en wie zou niet geroerd worden wanneer hij het onschuldige kind Bernadette hoort zeggen dat zij weent omdat de Vrouwe weent. Deze tranen zijn zeker tekens van hemelse droefheid over de koppigheid van zondaars. Maar zij zijn ook de laatste poging die alleen het hart van een moeder kan bedenken en ondernemen om haar kinderen tot tranen van medelijden en boete te bewegen.” [A. J. Fuhs – Fátima und der Friede, blz. 46.]
En te Fátima, een kleine plaats in Portugal tot 13 mei 1917 volkomen onbekend, zet Maria haar gigantische heilswerk voort. Zij dringt er bij haar aardse kinderen op aan zich met God te verzoenen en „Hem niet meer te beledigen.” Het tweede wat zij zozeer van haar kinderen vraagt is hulp in haar grote heilswerk door gebed en offer: „Bid, bid veel en breng offers voor zondaars.” En zij haast zich met de genoegdoeningsgebeden en offers van haar schapen naar haar goddelijke Zoon en smeekt om barmhartigheid en geduld.
In het boek „Zuster Lúcia spreekt over Fátima – Herinneringen van Zuster Lúcia I” worden, naast de verschijningen van de Engel en de Moeder Gods, ook de levens van de drie herderskinderen beschreven, die de verzoeken van Onze Lieve Vrouw voorbeeldig vervulden. Hun onvermoeibaar bidden en offeren voor het heil van zielen geeft de boodschap van Fátima een zeer bijzondere aantrekkingskracht. Op 13 mei 2000 werden Francisco en Jacinta Marto door paus Johannes Paulus II zalig verklaard. En op 13 mei 2017 werden zij door paus Franciscus heilig verklaard.
God heeft deze zuivere kindzielen gekozen om Zijn schapen naar de weelderige weide en de bruisende bron van het Evangelie te leiden. Zo werden de kleine herders onder leiding van Onze Lieve Vrouw herders van zielen naar het Hart van Jezus. Zij stralen voor alle gelovigen, vooral kinderen, op het pad van heiligheid. Zij zijn boodschappers van vrede, die onuitsprekelijke vrede waarnaar de mensheid zozeer smacht. De blijde boodschap van Bethlehem klinkt na in Fátima:
Vreest niet; ik ben de Engel van Vrede!
Onder de recente pausen, die allen grote devoten van Fátima waren, springt de H. Paus Johannes Paulus II op bijzondere wijze uit. De aanslag op zijn leven op 13 mei 1981 maakte hem nog wakkerder voor de boodschap van Fátima. De paus benadrukte steeds opnieuw dat de Moeder Gods zijn leven redde en de kogel tegen hem zo leidde dat hij de aanslag overleefde. Daarom gaf hij de kogel die zijn lichaam doorboorde aan Onze Lieve Vrouw van Fátima. Op 13 mei 1982 bad hij te Fátima:
O Onbevlekt Hart! Help ons het gevaar van het kwaad te overwinnen… Moge zich nog eenmaal in de geschiedenis van de wereld de oneindige macht van de verlossing tonen: de macht van de barmhartige liefde! Moge zij het kwaad een halt toeroepen en de gewetens veranderen! In Uw Onbevlekt Hart openbare zich aan allen het licht van de hoop!
Eens kwamen twee priesters om ons te ondervragen. Zij raadden ons aan te bidden voor de Heilige Vader. Jacinta vroeg wie de Heilige Vader was, en de priesters legden ons uit wie hij is en hoeveel hij onze gebeden nodig heeft. Jacinta had zo grote liefde voor de Heilige Vader dat zij altijd „en voor de Heilige Vader” toevoegde wanneer zij Jezus haar offers aanbood. Aan het einde van de rozenkrans bad zij altijd drie weesgegroeten voor de Heilige Vader. [1 E I. 11]
Ik ben de Goede Herder! (Joh 10,14)
Jacinta hield er ook van de witte lammeren op te tillen, omarmd en gekust te worden, en hen 's avonds in haar armen thuis te dragen opdat zij niet moe zouden worden. Eens plaatste zij zich in het midden van de kudde op weg naar huis.
– Jacinta – vroeg ik, waarom ga jij daar in het midden van de schapen?
– Om te doen zoals onze Verlosser, die op een heiligenprentje dat men mij gaf ook zo in het midden van vele schapen staat en er een in Zijn armen houdt. [1 E I. 6]
Een Engel en Drie Herderskinderen
De Eerste Verschijning 1916
We hadden een tijdje gespeeld toen plotseling, hoewel het anders een rustige dag was, een sterke wind de bomen deed schudden. We keken op en zagen […] een jongeman van 14 tot 15 jaar, witter dan sneeuw. […] hij was van grote schoonheid. Toen hij voor ons stond, zei hij:
– Vreest niet! Ik ben de Engel van Vrede! Bid met mij! Op de knieën buigend op de grond boog hij zijn voorhoofd naar de aarde en liet ons drie keer deze woorden herhalen:
– Mijn God, ik geloof in U, ik aanbid U, ik hoop op U en ik bemin U. Ik vraag U vergiffenis voor hen die niet in U geloven, U niet aanbidden, niet op U hopen en U niet beminnen.
Toen zei hij, opstaand:
– Zo zult gij bidden. De Harten van Jezus en Maria verwachten uw vurige smeekbeden.
Zijn woorden drongen zich zo diep in ons geheugen dat we ze nooit meer vergaten. Vanaf toen brachten we veel tijd door met ze zo diep gebogen te herhalen, tot we soms van vermoeidheid neervielen. [2 E II. 2]
De Tweede Verschijning 1916
Lange tijd later speelden we op een zomerdag […] bij een put. […] Plotseling zagen we voor ons dezelfde gestalte, de Engel, zo leek het mij. Hij zei:
– Wat doet gij? Bid, bid veel! De Harten van Jezus en Maria hebben plannen van barmhartigheid met u. Biedt de Allerhoogste onophoudelijk gebeden en offers aan.
– Hoe zullen we offers brengen? – vroeg ik.
– Maakt van alles wat gij kunt een offer, om genoegdoening te doen voor de zonden waarmee Hij wordt beledigd en om de bekering van zondaars te smeken. […] Bovenal aanvaardt het lijden en draagt onderdanig wat de Heer u zal zenden. [2 E II. 2]
Deze woorden van de Engel drongen zich in ons verstand als een licht dat ons deed erkennen wie God is, hoezeer Hij ons bemint en bemind wil worden. We erkenden de waarde van het offer en hoe aangenaam het voor Hem is; en hoe Hij zondaars bekeert omwille van het offer. Vanaf die tijd begonnen we de Heer alles aan te bieden wat ons bedroefde, toch zochten we geen andere verstervingen of boetedoeningen dan urenlang uitgestrekt op de grond het gebed van de Engel te herhalen. [4 E II. 1]
De Derde Verschijning 1916
Zo verstreek enige tijd en we waren onderweg met onze kuddes naar een stuk land van mijn ouders. […] Toen we daar aankwamen, begonnen we op onze knieën, gezicht naar de grond, het gebed van de Engel te herhalen:
– Mijn God, ik geloof in U …
Ik weet niet hoe vaak we dit gebed hadden herhaald toen we een onbekend licht boven ons zagen stralen. We richtten ons op om te zien wat er gebeurde en zagen de Engel. In zijn linkerhand hield hij een kelk; daarboven zweefde een hostie, waaruit druppels bloed in de kelk vielen. De Engel liet de kelk in de lucht zweven, knielde naast ons neer en liet ons driemaal herhalen:
Allerheiligste Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, in diepste eerbied aanbid ik U en ik offer U op het kostbare Lichaam, het Bloed, de ziel en de Godheid van Jezus Christus, die tegenwoordig is in alle tabernakels van de wereld, tot genoegdoening voor alle smaad, heiligschennis en onverschilligheid waardoor Hij zelf beledigd wordt. Door de oneindige verdiensten van Zijn Heilig Hart en van het Onbevlekt Hart van Maria vraag ik U om de bekering van de arme zondaars.
Toen stond hij op, nam de kelk en de hostie, gaf mij de heilige hostie en verdeelde het Bloed in de kelk tussen Jacinta en Francisco, zeggend:
– Ontvangt het Lichaam en drinkt het Bloed van Jezus Christus, zo verschrikkelijk beledigd door ondankbare mensen. Doet genoegdoening voor hun zonden en troost uw God! Hij knielde weer op de grond, herhaalde met ons nog driemaal hetzelfde gebed:
Allerheiligste Drievuldigheid …
en verdween. We bleven in deze houding en bleven dezelfde woorden herhalen. [2 E II. 2]
Laat ons lang op onze knieën blijven voor de Heer aanwezig in de Eucharistie, genoegdoening doend met ons geloof en onze liefde voor de verwaarlozing, vergetelheid en zelfs de beledigingen die onze Verlosser in vele delen van de wereld moet ondergaan. (H. Johannes Paulus II, Mane nobiscum Domine, 18)
Onze Lieve Vrouw komt
13 mei 1917
Ik speelde met Francisco en Jacinta op de top van de helling van de Cova da Iria. […] toen wij plotseling iets als een bliksemflits zagen. […]
Wij begonnen de helling af te dalen en dreven de schapen in de richting van de weg. Toen wij ongeveer halverwege de helling waren, […] zagen wij boven een steeneik een Vrouwe, geheel in het wit gekleed, stralender dan de zon. […] Verrast door deze verschijning bleven wij staan. […] Toen zei Onze Lieve Vrouw:
– Wees niet bang! Ik zal jullie geen kwaad doen!
– Waar komt U vandaan? – vroeg ik haar.
– Ik kom uit de hemel!
– En wat wilt U van mij?
– Ik ben gekomen om jullie te vragen dat jullie de komende zes maanden telkens op de dertiende op hetzelfde uur hierheen komen. Dan zal ik jullie zeggen wie ik ben en wat ik wil. […]
– Kom ik ook in de hemel?
– Ja, dat zul je!
– En Jacinta?
– Ook!
– En Francisco?
– Ook, maar hij moet nog veel rozenkransen bidden. […]
– Willen jullie je aan God aanbieden om al het lijden te dragen dat Hij jullie zal zenden, tot genoegdoening voor de zonden waarmee Hij wordt beledigd en als smeekbede om de bekering van de zondaars?
– Ja, dat willen wij!
– Jullie zullen dus veel moeten lijden, maar de genade van God zal jullie troost zijn!
Bij de verschijningen van 13 mei tot 13 oktober 1917 waren de „graden van communicatie” van Onze Lieve Vrouw met de drie kinderen verschillend: Jacinta zag en hoorde de Maagd; Lúcia zag, hoorde en was de enige die met haar sprak; Francisco zag alles, maar kon nooit horen wat Onze Lieve Vrouw zei.
Toen zij deze laatste woorden sprak, opende zij voor het eerst haar handen en deelde ons een zo sterk licht mee, dat als een weerschijn van haar handen uitging. Het drong in onze borst en tot in de diepste diepte van de ziel, en wij herkenden onszelf in God, die dit licht was, veel helderder dan wij onszelf in de beste spiegel konden zien. Door een innerlijke ingeving, die ons eveneens werd meegedeeld, vielen wij nu op onze knieën en herhaalden heel innerlijk:
– O Allerheiligste Drievuldigheid, ik aanbid U. Mijn God, mijn God, ik bemin U in het Allerheiligste Sacrament.
Na enkele ogenblikken voegde Onze Lieve Vrouw eraan toe:
– Bid dagelijks de rozenkrans, om de vrede van de wereld en het einde van de oorlog te verkrijgen! Daarop begon zij langzaam op te stijgen in de richting van de zonsopgang, tot zij in de oneindigheid van de verte verdween. [4 E II. 3]
Die Vrouwe zei ons dat wij de rozenkrans moesten bidden en offers moesten brengen voor de bekering van de zondaars. Als wij nu de rozenkrans bidden, moeten wij het weesgegroet en het Onze Vader helemaal bidden. En de offers, hoe moeten wij die brengen?
Francisco ontdekte snel een goed offer.
– Laten wij ons middagbrood aan de schapen geven – laten wij het offer brengen niets te eten. In enkele minuten was onze voorraad aan de kudde uitgedeeld. [1 E I. 8]
„Men had ons aangeraden na het vieruurtje de rozenkrans te bidden, maar omdat de tijd om te spelen ons te kort leek, hadden wij een goede manier gevonden om snel klaar te zijn: wij lieten de kralen doorglijden en zeiden alleen: Wees gegroet, Wees gegroet, Wees gegroet! Wanneer wij aan het einde van het geheim waren gekomen, zeiden wij met een lange pauze de eenvoudige woorden: Onze Vader. En zo hadden wij in een oogwenk onze rozenkrans gebeden.” [1 E I. 6]
13 juni 1917
Nadat ik, Jacinta en Francisco en nog enkele aanwezigen de rozenkrans hadden gebeden, zagen wij opnieuw de lichtschijn naderen (die wij bliksem noemden), en daarna Onze Lieve Vrouw boven de steeneik, precies zoals in mei.
– Wat verlangt U van mij?
– vroeg ik.
– Ik wil dat jullie alle dagen de rozenkrans bidden en leren lezen. […]
– Ik vroeg om de genezing van een zieke.
– Als hij zich bekeert, zal hij binnen het jaar genezen.
– Ik zou U willen vragen ons mee te nemen naar de hemel.
– Ja! Jacinta en Francisco kom ik binnenkort halen. Maar jij blijft nog enige tijd hier. Jezus wil zich van jou bedienen, opdat de mensen mij leren kennen en beminnen. Hij wil op aarde de verering van mijn Onbevlekt Hart vestigen.
(Hier laat Lúcia uit haast het einde van de alinea weg, dat in andere documenten als volgt luidt: „Wie haar aanneemt, hem beloof ik het heil, en deze zielen zullen door God bemind worden als bloemen die door mij zijn neergezet om Zijn troon te versieren.” [4 E II. 4])
– Blijf ik hier alleen?
– vroeg ik bedroefd.
– Nee, mijn dochter! Lijd je veel? Laat je niet ontmoedigen. Nooit zal ik je verlaten. Mijn Onbevlekt Hart zal je toevlucht zijn en de weg die je tot God zal voeren.
Op het ogenblik dat zij deze laatste woorden sprak, opende zij haar handen en deelde ons voor de tweede maal de weerschijn van dit onmetelijke licht mee. Daarin zagen wij ons als het ware in God ondergedompeld. Jacinta en Francisco schenen te staan in het deel van het licht dat zich naar de hemel verhief, en ik in het deel dat zich over de aarde uitstortte. Voor de rechterhandpalm van Onze Lieve Vrouw bevond zich een hart, omgeven door doornen die het leken te doorboren. Wij begrepen dat dit het Onbevlekte Hart van Maria was, gekwetst door de zonden van de mensheid, dat genoegdoening verlangt. (Bron: [4 E II. 4])
Vanaf die dag voelden wij in ons hart een nog sterkere liefde voor het Onbevlekte Hart van Maria. Jacinta zei mij soms:
– Die Vrouwe zei dat haar Onbevlekt Hart jouw toevlucht zou zijn en de weg die jou tot God voert. Heb je haar erg lief? Ik heb haar Hart zo lief! Het is zo goed! (Bron: [3 E 5])
13 juli 1917
Kort nadat wij in de Cova da Iria bij de steeneik waren aangekomen en met een grote volksmenigte de rozenkrans baden, zagen wij de gewone lichtschijn en kort daarop Onze Lieve Vrouw boven de steeneik.
– Wat verlangt U van mij?
– vroeg ik.
– Ik wil dat jullie op de dertiende van de komende maand weer hierheen komen, dat jullie elke dag de rozenkrans blijven bidden ter ere van Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans, om de vrede voor de wereld en het einde van de oorlog te verkrijgen. […]
– Ik zou U willen vragen ons te zeggen wie U bent, en een wonder te doen, zodat allen geloven dat U ons verschijnt.
– Blijf elke maand hierheen komen! In oktober zal ik jullie zeggen wie ik ben, wat ik wens, en zal ik een wonder doen, zodat allen geloven.
Toen ging zij verder:
– Offer jullie op voor de zondaars en zeg vaak tot Jezus, vooral als jullie een offer brengen: O mijn Jezus, het is uit liefde voor U, voor de bekering van de zondaars, voor de Heilige Vader en tot herstel van de zonden begaan tegen het Onbevlekt Hart van Maria.
Bij deze laatste woorden opende zij opnieuw haar handen, zoals in de twee voorafgaande maanden. De straal scheen de aarde te doordringen, en wij zagen als het ware een zee van vuur en, ondergedompeld in dit vuur, de duivels en de zielen, alsof zij doorschijnende, zwarte en bronskleurig gloeiende kolen in menselijke gedaante waren, die in dit vuur zwommen. […]
Geschrokken en als om hulp smekend sloegen wij de ogen op naar Onze Lieve Vrouw, die vol goedheid en droefheid tot ons sprak:
– Jullie hebben de hel gezien, waarheen de zielen van de arme zondaars gaan. Om hen te redden wil God de devotie tot mijn Onbevlekt Hart in de wereld vestigen. Als men doet wat ik jullie zeg, zullen veel zielen gered worden en zal er vrede zijn. De oorlog loopt naar zijn einde. Maar als men niet ophoudt God te beledigen, zal er onder het pontificaat van Pius XI een andere, ergere oorlog beginnen. Wanneer jullie een nacht verlicht zien door een onbekend licht, weet dan dat dit het grote teken is dat God jullie geeft, dat Hij nu de wereld zal straffen voor haar wandaden met oorlog, hongersnood, vervolging van de Kerk en van de Heilige Vader.
– Om dat te voorkomen zal ik komen om de wijding van Rusland aan mijn Onbevlekt Hart en de communie van genoegdoening op de eerste zaterdagen te vragen. (Deze belofte vervulde zij enkele jaren later, toen zij in 1925 en 1926 in Pontevedra, Spanje [zie blz. 39], en in 1929 in Tuy, Spanje [zie blz. 41], aan Lúcia verscheen.)
– Als men naar mijn wensen luistert, zal Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het zijn dwalingen over de wereld verspreiden en oorlogen en vervolgingen van de Kerk teweegbrengen. De goeden zullen gemarteld worden en de Heilige Vader zal veel te lijden hebben. Verschillende naties zullen vernietigd worden. Maar uiteindelijk zal mijn Onbevlekt Hart zegevieren. De Heilige Vader zal Rusland aan mij wijden, dat zich zal bekeren, en aan de wereld zal een tijd van vrede geschonken worden. In Portugal zal het dogma van het geloof altijd bewaard blijven. […]
– Wanneer jullie de rozenkrans bidden, zeg dan na elk tientje: O mijn Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons voor het vuur van de hel, breng alle zielen naar de hemel, vooral diegenen die Uw barmhartigheid het meeste nodig hebben. […]
Op de gewone wijze steeg zij op in oostelijke richting, tot zij in de oneindige verte van het firmament verdween. (Bron: [4 E II. 5])
Wij mediteerden toen voor het eerst over de hel en de eeuwigheid. Wat Jacinta het meest indruk maakte, was de eeuwigheid. Zelfs tijdens het spel vroeg zij af en toe:
– Maar kijk eens, na vele, vele jaren houdt de hel dan nog steeds niet op? […]
Daarna voegde zij eraan toe:
– Wat is die Vrouwe goed! Zij heeft ons al beloofd ons mee te nemen naar de hemel. (Bron: [1 E I. 8])
Jacinta kon gedurende haar hele korte leven het visioen van de hel van 13 juli 1917 niet meer vergeten. Nog kort voor haar dood riep zij in aanwezigheid van de overste van het ziekenhuis in Lissabon, waarheen men haar had gebracht, uit:
„Als de mensen wisten wat de eeuwigheid betekent! Wat zouden zij dan alles doen wat in hun macht ligt om hun leven te veranderen! Lieve meter (zo noemde zij de overste), de versterving en de offers maken Onze Heer veel vreugde. Ontvlucht de luxe! Ontvlucht de rijkdommen! Bemin de armoede! Oefen de liefde, zelfs tegenover slechte mensen! Zeg nooit iets slechts over iemand en mijd hen die anderen verachten! Oefen altijd geduld; want geduld leidt naar de hemel! De priesters mogen zich alleen bezighouden met de zaken van de Kerk. Zij moeten zuiver zijn, volkomen zuiver! De ongehoorzaamheid van de priesters en de religieuzen tegenover hun oversten en de Heilige Vader beledigt Onze Heer zeer.” (Bron: Fátima und der Friede, blz. 99)
De lampen van de engelen
Wij twistten erover wie in staat was de sterren te tellen, die, zoals wij zeiden, de lampen van de engelen waren. De maan was de lantaarn van Onze Lieve Vrouw en de zon die van Onze Heiland. Daarom zei Jacinta soms:
– Ik heb de lamp van Onze Lieve Vrouw liever, want die brandt ons niet en verblindt ons niet, zoals die van Onze Heiland doet. (Bron: [1 E I. 4])
Dan gingen wij naar de dorsvloer, sprongen een beetje rond en wachtten tot Onze Lieve Vrouw en de engelen hun lampen aanstaken en ze in het venster zetten om ons te verlichten. Was er geen maan, dan meenden wij dat de lamp van Onze Lieve Vrouw geen olie meer had. (Bron: [1 E I. 6])
De herderskinderen in de gevangenis
Intussen brak de ochtend van 13 augustus aan. […]
Allen wilden ons zien, ons uitvragen en ons hun verzoeken toevertrouwen, opdat wij ze aan de Allerheiligste Maagd zouden voorleggen. […]
Te midden van al dit gedrang werd mijn vader gevraagd mij naar het huis van mijn tante te brengen, waar de bestuurder ons opwachtte. […]
Toen ik aankwam, was de bestuurder in de kamer met Jacinta en Francisco. Daar ondervroeg hij ons en probeerde hij opnieuw ons de belofte af te dwingen dat wij niet meer naar de Cova da Iria zouden gaan. (Bron: [2 E II. 11])
Toen wij later gevangen werden genomen, was het de afwezigheid van de ouders die Jacinta het zwaarst drukte. […]
– Huil niet – zei Francisco tegen haar – laten wij het aan Jezus opofferen voor de zondaars.
En de ogen en handen ten hemel verheffend, sprak hij het offergebed:
– O mijn Jezus, het is uit liefde voor U en voor de bekering van de zondaars. […]
Toen wij na de scheiding van elkaar weer in een gevangenzaal bijeengebracht werden, verklaarden zij dat zij ons binnenkort zouden komen halen om ons te verbranden. Toen trok Jacinta zich terug bij een raam. In het begin dacht ik dat zij zich wilde verstrooien door het uitzicht, maar toen merkte ik dat zij huilde.
Ik nam haar bij mij en vroeg waarom zij huilde:
– Omdat wij zullen sterven zonder onze vaders en moeders te hebben teruggezien, antwoordde zij.
En met een door tranen overstroomd gezicht:
– Ik wil tenminste mijn moeder zien!
– Jij wilt dit offer dus niet brengen voor de bekering van de zondaars?
– Ik wil, ik wil.
En terwijl de tranen over haar gezicht liepen, hief zij handen en ogen ten hemel en verrichtte het offergebed:
– O mijn Jezus! Het is uit liefde voor U, voor de bekering van de zondaars, voor de Heilige Vader en tot herstel van de zonden begaan tegen het Onbevlekt Hart van Maria. (Bron: [1 E I. 12])
Toen besloten wij onze rozenkrans te bidden. Jacinta haalde een medaille tevoorschijn die zij om de hals droeg en vroeg een gevangene haar aan een spijker aan de muur op te hangen. Knielend voor deze medaille begonnen wij te bidden.
De gevangenen baden met ons mee, zo goed zij konden. […]
Omdat de Allerheiligste Maagd ons had gezegd dat wij ook onze gebeden en offers moesten opdragen tot genoegdoening voor de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria, wilden wij afspreken dat ieder voor zijn eigen intentie zou offeren. De een zou offeren voor de zondaars, de ander voor de Heilige Vader en de derde als genoegdoening voor de zonden tegen het Onbevlekte Hart van Maria.
Nadat wij deze afspraak hadden gemaakt, vroeg ik Jacinta te kiezen voor welke intentie zij wilde offeren:
– Ik offer voor allen, want ik heb allen graag. (Bron: [1 E I. 13])
Onze Lieve Vrouw komt weer
19 augustus 1917
Toen ik met Francisco en zijn broer Johannes de schapen dreef naar een plaats die Valinhos heet en iets bovennatuurlijks voelde dat naderde en ons omhulde, vermoedde ik dat Onze Lieve Vrouw ons zou verschijnen. […]
Na de komst van Jacinta zagen wij kort daarop Onze Lieve Vrouw boven een steeneik.
– Wat verlangt U van mij?
– Ik wil dat jullie op de dertiende naar de Cova da Iria komen en dagelijks de rozenkrans blijven bidden. […]
Bid, bid veel en breng offers voor de zondaars, want veel zielen komen in de hel omdat niemand zich voor hen opoffert en voor hen bidt.
En weer steeg zij zoals gewoonlijk op in oostelijke richting. (Bron: [4 E II. 6])
Sinds Onze Lieve Vrouw ons had geleerd Jezus onze offers aan te bieden, vroeg Jacinta altijd, wanneer wij er een wilden brengen of wanneer wij een of andere beproeving moesten ondergaan:
– Heb je Jezus al gezegd dat het uit liefde voor Hem is?
Als ik haar met nee antwoordde:
– Dan zeg ik het Hem.
En zij vouwde haar kleine handen, sloeg de ogen op naar de hemel en zei:
– O Jezus, het is uit liefde voor U en voor de bekering van de zondaars. (Bron: [1 E I. 10])
13 september 1917
Toen het verwachte uur naderde, ging ik met Jacinta en Francisco tussen talrijke mensen door. […]
Wij kwamen ten slotte in de Cova da Iria bij de steeneik aan en begonnen met het volk de rozenkrans te bidden. Kort daarop zagen wij de lichtschijn en daarna Onze Lieve Vrouw boven de steeneik.
– Blijf de rozenkrans bidden om het einde van de oorlog te verkrijgen. In oktober zal ook Onze Heer komen, Onze Lieve Vrouw van de Smarten en van de Berg Karmel, (Zij wilde daarmee haar wens tot uitdrukking brengen dat iedereen het scapulier zou dragen […] Rozenkrans en scapulier horen onlosmakelijk bij elkaar. [Zr. Lúcia in: Fátima und der Friede, blz. 147]) de heilige Jozef met het Kindje Jezus, om de wereld te zegenen. God heeft vreugde in jullie offers, maar Hij wil niet dat jullie met het koord slapen. Draag het alleen overdag.
– Men heeft mij gevraagd veel van U af te smeken: de genezing van enkele zieken en die van een doofstomme.
– Ja, enkelen zal ik genezen, anderen niet. In oktober zal ik een wonder doen, zodat allen geloven.
En zij begon op te stijgen en verdween zoals gewoonlijk. (Bron: [4 E II. 7])
Soms troffen Francisco en Jacinta mij bedroefd aan. Omdat ik van het snikken niet kon spreken, leden zij met mij mee en huilden eveneens. Dan verrichtte Jacinta met luide stem ons offergebed:
– Mijn God, wij bieden U al dit lijden en deze offers aan als daad van eerherstel en voor de bekering van de zondaars. (Bron: [2 E II. 3])
13 oktober 1917
Wij verlieten het huis al vrij vroeg, omdat wij rekening hielden met vertragingen onderweg. Het volk kwam in massa's. Het regende in stromen. […] Zelfs de modder op de wegen kon deze mensen er niet van weerhouden in nederige en smekende houding op de knieën te vallen. […]
Kort daarop zagen wij de lichtschijn en daarna Onze Lieve Vrouw boven de steeneik.
– Wat verlangt U van mij?
– Ik wil je zeggen dat hier een kapel ter ere van mij gebouwd moet worden. Ik ben Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans. Men moet dagelijks de rozenkrans blijven bidden. […]
– Ik wilde U om veel vragen: of U enkele zieken wilt genezen en enkele zondaars wilt bekeren, en nog veel meer.
– Enkelen wel, anderen niet. Zij moeten zich verbeteren en om vergeving van hun zonden vragen.
En nog bedroefder zei zij:
– Men moet God, Onze Heer, niet meer beledigen, die al zozeer beledigd is. (Bron: [8])
Zij opende haar handen en liet ze stralen in het zonlicht. Terwijl zij opsteeg, straalde haar eigen licht in de zon weer. (Bron: [4 E II. 8])
Dit waren de laatste woorden van Maria, de kern van de boodschap van Fátima. Daarop geschiedde het zonnewonder voor ca. 60.000 tot 70.000 aanwezigen. Dit natuurverschijnsel werd door enkele personen waargenomen tot op een afstand van 40 kilometer. De zon draaide driemaal na elkaar rond. Daarbij vielen stralenbundels in regenboogkleuren op de laagte en op allen die daar aanwezig waren.
De kinderen zagen daarbij de Moeder Gods, daarna de heilige Jozef met het Kindje Jezus op de arm, de Heiland die het volk zegende, en ten slotte Maria als Moeder van Smarten en daarna als Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel.
Na de derde draaiing kleurde de zon bloedrood en scheen in zigzag op de menigte neer te storten. Gelovigen en ongelovigen zonken van angst op de knieën, baden, beleden zich zondaars en smeekten om barmhartigheid. Vele zieken, onder wie ook kreupelen en blinden, werden plotseling genezen.
Toen het gebeuren voorbij was, merkten de mensen dat hun volkomen doorweekte kleren plotseling droog waren.
Jacinta nam de offers voor de bekering van de zondaars zo ernstig dat zij zelfs geen gelegenheid daarvoor liet voorbijgaan. Er waren enkele kinderen uit Moita die aan de deuren gingen bedelen. Wij ontmoetten hen op een dag toen wij met onze schapen onderweg waren. Toen Jacinta hen zag, zei zij ons:
– Laten wij ons middagbrood aan die armen geven voor de bekering van de zondaars. (Bron: [1 E I. 9])
Andere keren zei zij tot mij:
– Ik weet niet hoe dat zit. Ik voel de Heiland in mijn binnenste. Ik begrijp wat Hij mij wil zeggen, zonder dat ik Hem zie of hoor; maar het is zo mooi bij Hem te zijn.
Weer een andere keer:
– Luister, weet je wat? Onze Heiland is bedroefd. Onze Lieve Vrouw heeft ons gezegd dat men Hem niet meer moet beledigen, omdat Hij al zozeer beledigd is, maar niemand richt zich daarnaar. Zij blijven dezelfde zonden begaan. (Bron: [3 E 9])
Wanneer zij uit versterving niets wilde eten, zei ik:
– Jacinta, kom, eet toch!
– Nee, ik wil dit offer brengen voor die zondaars die te veel eten.
Toen zij al ziek was, wilde zij op een dag naar de heilige Mis gaan. Ik vroeg haar:
– Jacinta, ga niet, je kunt toch niet. Vandaag is het toch geen zondag!
– Dat maakt niet uit! Ik ga voor de zondaars die zelfs op zondag niet gaan. (Bron: [3 E 3])
De Grote Belofte
Op 10 december 1925 aanschouwde Zuster Lúcia de Allerheiligste Maagd in Pontevedra en, aan haar zijde, in een lichtende wolk, een kind. De Allerheiligste Maagd legde haar hand op haar schouder en toonde een hart omringd door doornen dat zij in haar andere hand hield. Het kind zei:
– Heb medelijden met het Hart van uw Allerheiligste Moeder, omringd door doornen waarmee ondankbare mensen het voortdurend doorboren, zonder dat iemand een daad van genoegdoening doet om ze te verwijderen.
Daarop zei de Allerheiligste Maagd:
– Mijn dochter, zie Mijn Hart omringd door doornen waarmee ondankbare mensen het voortdurend doorboren door hun godslasteringen en ondankbaarheid. Tracht ten minste Mij te troosten en bekend te maken dat ik beloof bij te staan in het uur van de dood met alle genaden die nodig zijn voor het heil van deze zielen allen die, gedurende vijf maanden, op de eerste zaterdag van elke maand, te biecht gaan, de Heilige Communie ontvangen, een rozenkrans bidden en Mij vijftien minuten gezelschap houden door te mediteren over de vijftien rozenkransgeheimenissen met de bedoeling Mij genoegdoening te doen.
Op 15 februari 1926 verscheen het Kind Jezus haar weer. Hij vroeg haar of zij de verering van Zijn Moeder al had verspreid. Zij legde Hem de moeilijkheden uit die de biechtvader had, en vertelde Hem dat de Moeder-overste bereid was het te verspreiden, maar de biechtvader had gezegd dat zij alleen niets kon doen. Jezus antwoordde:
– Het is waar dat uw Overste alleen niets kan doen, maar met Mijn genade kan zij alles.
Zij legde Jezus de moeilijkheden uit die sommige zielen hadden om op zaterdag te biechten, en vroeg of de biecht acht dagen geldig kon zijn. Jezus antwoordde:
– Ja, het kan zelfs veel langer zijn, mits zij in staat van genade zijn wanneer zij Mij ontvangen, en dat zij de bedoeling hebben genoegdoening te doen aan het Onbevlekte Hart van Maria.
– Mijn Jezus, en als iemand vergeet deze bedoeling te vormen?
Jezus antwoordde:
– Zij kunnen het bij de volgende biecht doen, mits zij de eerste gelegenheid aangrijpen om te biechten. (Bron: [A I])
(Deze tekst is een neerschrift van Zuster Lúcia uit het jaar 1927 op bevel van haar zielenleider pater Aparício, S.J. Hier vinden wij de nodige voorwaarden voor de vervulling van de belofte van de vijf eerste zaterdagen tot herstel van de smaad tegen het Hart van Maria. Men mag daarbij nooit de eigenlijke bedoeling vergeten: het Hart van Maria genoegdoening te schenken.)
Het verzoek om de wijding van Rusland
Ik had van mijn oversten en mijn biechtvader toestemming gevraagd en gekregen om telkens in de nacht van donderdag op vrijdag van elf uur tot middernacht een Heilig Uur te houden.
Op een nacht was ik alleen. Ik knielde bij het hek in het midden van de kapel om de gebeden van de Engel te bidden. Omdat ik mij moe voelde, richtte ik mij op en bad verder met uitgespreide armen. […]
Plotseling werd de kapel verlicht door een bovennatuurlijk licht en op het altaar verscheen een kruis van licht, dat tot aan het plafond reikte. In een helder licht zag men in het bovenste deel van het kruis het gelaat en het bovenlijf van een mens, boven de borst een duif, eveneens van licht, en aan het kruis genageld het lichaam van een ander mens.
Een weinig onder het middel, in de lucht zwevend, zag men de kelk en een grote hostie, waarop enkele druppels bloed vielen die van het aangezicht van de Gekruisigde en uit een borstwond afliepen. Van de hostie afglijdend vielen deze druppels in de kelk.
Onder de rechterarm van het kruis stond Onze Lieve Vrouw. Het was Onze Lieve Vrouw van Fátima met haar Onbevlekt Hart in de linkerhand, zonder zwaard en rozen, maar met een doornenkroon en vlammen. Onder de linkerarm van het kruis vormden enkele grote letters, die naar het altaar toe liepen, als waren zij van kristalhelder water, de woorden: Genade en barmhartigheid.
Ik begreep dat mij het geheim van de Allerheiligste Drievuldigheid was getoond. […] Daarna zei Onze Lieve Vrouw tot mij:
– Het ogenblik is gekomen waarop God de Heilige Vader vraagt, in verbondenheid met alle bisschoppen van de wereld, de wijding van Rusland aan mijn Onbevlekt Hart te voltrekken. Hij belooft het door dit middel te redden. Zoveel zielen worden door de gerechtigheid van God veroordeeld wegens de zonden die tegen mij worden begaan, dat ik om genoegdoening vraag: offer jezelf in deze intentie op en bid.
Ik vertelde dit aan mijn biechtvader, die mij opdroeg op te schrijven wat Onze Lieve Vrouw wenste. (Bron: [A II])
(Bijna 55 jaar moest Onze Lieve Vrouw wachten op de vervulling van haar verzoek. Voor het eerst op 25 maart 1984 voltrok paus Johannes Paulus II in gemeenschap met meer dan 2600 katholieke bisschoppen van de wereld en vele bisschoppen van de Russisch- en Grieks-Orthodoxe Kerk de wijding van de wereld en van die naties „die de barmhartigheid van God het meest nodig hebben.” Hoewel de wijdingstekst geen land speciaal vermeldde, noemde de paus de namen van Rusland en van zijn vaderland Polen. Het was de door Onze Lieve Vrouw gevraagde gemeenschappelijke wijding tot troost en tot genoegdoening voor de beledigingen die haar Onbevlekt Hart worden aangedaan. Enkele maanden later werd Michail Gorbatsjov secretaris-generaal van de CPSU en leidde hij Rusland uit de communistische dictatuur.) (Bron: [3 E 2])
Het „geheim” van Fátima
Het „geheim” van Fátima heeft betrekking op een gedeelte van de boodschap van 13 juli 1917, dat de herderskinderen volgens de aanwijzing van Onze Lieve Vrouw geheim moesten houden.
Op 13 augustus 1917 liet de districtsbestuurder van Fátima de drie herderskinderen in de gevangenis werpen. Door slopende verhoren en de dreiging met een pijnlijke dood werd geprobeerd de kinderen te dwingen het geheim te verraden. Maar zij bleven standvastig. Na twee dagen werden zij uit de hechtenis ontslagen.
Hoogaltaarschilderij in de Rozenkransbasiliek: Christus komt in de heilige Eucharistie tot ons mensen – verzinnebeeld door drie kinderen aan wie de engel de heilige communie uitreikt. Maar niet de engel, doch de Moeder Gods is het die tussen God en de mensen staat.
De eerste twee delen van het geheim
De eerste twee delen van het geheim werden door zuster Lúcia in 1941 opgeschreven, op verzoek van D. José Alves Correia da Silva, bisschop van Leiria:
„Het geheim bestaat uit drie verschillende delen, waarvan ik er twee wil openbaren. Het eerste deel was het visioen van de hel …” (Bron: [A III])
Het tweede deel heeft betrekking op de verering van het Onbevlekte Hart van Maria. (Bron: [3 E 5])
Het derde deel van het geheim schreef zuster Lúcia eveneens in opdracht van de bisschop op 3 januari 1944 in Tuy neer. (Bron: [A III])
Paus Johannes Paulus II liet op 26 juni 2000 het derde deel van het geheim publiceren.
„Zoals wij als sleutelwoord van het eerste en tweede geheim salvare le anime (de zielen redden) hebben herkend, zo is het sleutelwoord van dit geheim de driemaal herhaalde kreet: Penitenza, Penitenza, Penitenza (Boete, boete, boete)! Wij worden herinnerd aan het begin van het Evangelie: Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap (Mk 1,15). De tekenen van de tijd verstaan betekent: de dringende noodzaak van boete – bekering – geloof begrijpen. Dat is het juiste antwoord op het historische ogenblik, dat door grote gevaren is omgeven. Ik mag hier een persoonlijke herinnering inlassen: in een gesprek met mij heeft zuster Lúcia gezegd dat het haar steeds duidelijker werd dat het doel van alle verschijningen was, zich meer te oefenen in geloof, hoop en liefde – al het andere was slechts een inleiding daartoe.”
(Uit het commentaar van kardinaal Joseph Ratzinger op het geheim van Fátima) (Bron: [A III])
Derde deel van het geheim
„J.M.J. Het derde deel van het geheim dat op 13 juli 1917 in de Cova da Iria, Fátima, werd geopenbaard. Ik schrijf uit gehoorzaamheid aan U, mijn God, die het mij opdraagt door zijn Excellentie, de Hoogeerwaarde Heer Bisschop van Leiria, en door Uw en mijn Allerheiligste Moeder.
Na de twee delen die ik al heb uiteengezet, zagen wij links van Onze Lieve Vrouw, iets hoger, een engel die een zwaard van vuur in de linkerhand hield; het sprankelde van vonken en er gingen vlammen van uit, alsof zij de wereld in brand moesten steken; maar de vlammen doofden uit toen zij in aanraking kwamen met de glans die Onze Lieve Vrouw vanuit haar rechterhand naar hem uitstraalde: de engel, die met de rechterhand naar de aarde wees en met luide stem riep: „Boete, boete, boete!”
En wij zagen in een enorm licht, dat God is: „iets wat eruitziet als personen in een spiegel wanneer zij daarlangs lopen” een in het wit gekleed bisschop – wij hadden het vermoeden dat het de Heilige Vader was. Wij zagen verschillende andere bisschoppen, priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen een steile berg beklimmen, op wiens top zich een groot kruis bevond van ruwe stammen, als van kurkeik met schors.
Voordat hij daar aankwam, ging de Heilige Vader door een grote stad die half verwoest was, en half bevend met wankele pas, gedrukt door smart en zorg, bad hij voor de zielen van de lijken die hij op zijn weg tegenkwam. Op de berg aangekomen knielde hij neer aan de voet van het grote kruis.
Daar werd hij gedood door een groep soldaten, die met vuurwapens en pijlen op hem schoten. Op dezelfde wijze stierven, de een na de ander, de bisschoppen, priesters, religieuzen en verschillende leken, mannen en vrouwen van verschillende standen en posities.
Onder de beide armen van het kruis waren twee engelen, die elk een kristallen gieter in de hand hadden. Daarin vingen zij het bloed van de martelaren op en gaven daarmee de zielen te drinken die tot God naderden.”
Tuy, 3 januari 1944
[A III.]
De kleine apostelen van Onze Lieve Vrouw
„Ik prijs U, Vader …, omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen, maar ze hebt geopenbaard aan kleinen.” (Mt 11,25)
Volgens het goddelijke plan is een vrouw, bekleed met de zon (Openb 12,1), uit de hemel op deze aarde neergedaald om de door de Vader bevoorrechte kleinen op te zoeken. Zij spreekt tot hen met de stem en het hart van een moeder: zij nodigt hen uit zich als offer van genoegdoening aan te bieden en verklaart zich bereid hen veilig tot God te leiden. En zie, zij zien een licht uitgaan van haar moederhanden, dat hen tot in het binnenste doordringt, zodat zij zich in God ondergedompeld voelen – zoals wanneer iemand zich in de spiegel bekijkt, zo beschrijven zij het.
Later verklaarde Francisco, een van de drie bevoorrechten:
„Wij brandden in dat licht dat God is, maar wij verbrandden niet. Hoe is God? Dat kan men niet zeggen. Ja, dat is iets wat wij mensen niet kunnen zeggen.”
God: een licht dat brandt, maar niet verbrandt. Allen die deze goddelijke aanwezigheid in zich opnemen, worden tot woonplaats en bijgevolg tot de „brandende doornstruik” van de Allerhoogste.
Wat de heilige Francisco het meest verwonderde en geheel in beslag nam, was God in dat onmetelijke licht dat hen alle drie tot in hun binnenste had doordrongen. Alleen aan hem echter toonde God zich „zo bedroefd”, zoals hij het uitdrukte. Op een nacht hoorde zijn vader hem snikken en vroeg hem waarom hij huilde; de zoon antwoordde: „Ik dacht aan Jezus, die zo bedroefd is wegens de zonden die tegen Hem worden begaan.” Eén enkel [...] verlangen drijft Francisco van nu af aan, en dat is „Jezus te troosten en blij te maken.” [...]
Hij wijdt zich aan een intens geestelijk leven, [...] zodat hij tot een ware vorm van mystieke vereniging met de Heer komt. En juist dat brengt hem tot een voortschrijdende loutering van de geest door velerlei afzien van aangename dingen, zelfs van onschuldige kinderspelen. Francisco verdroeg het grote lijden dat de ziekte veroorzaakte die tot zijn dood leidde, zonder enige klacht. Alles leek hem weinig om Jezus te troosten; hij stierf met een glimlach op zijn lippen. [...]
De boodschap van Fátima is een oproep tot bekering, een waarschuwing aan de mensheid om niet het spel van de „draak” mee te spelen, die met zijn staart een derde deel van de sterren des hemels (wegvaagde) (Openb 12,4). Het uiteindelijke doel van de mens is de hemel, zijn ware woonplaats, waar de hemelse Vader in zijn barmhartige liefde op allen wacht. God wil dat niemand verloren gaat; daarom heeft Hij tweeduizend jaar geleden Zijn Zoon op aarde gezonden om te zoeken en te redden wat verloren was (Lk 19,10).
In haar moederlijke zorg is de Allerheiligste Maagd hierheen, naar Fátima, gekomen om de mensen te vermanen dat zij „God, onze Heer, niet meer zouden beledigen, die reeds zoveel beledigd wordt.” De smart van de Moeder brengt haar ertoe te spreken; het lot van haar kinderen staat op het spel. Daarom zegt zij tot de herderskinderen: „Bid, bid veel en breng offers voor de zondaars, want veel zielen komen in de hel omdat niemand zich voor hen opoffert en voor hen bidt.”
De kleine Jacinta voelde en beleefde deze zorg van de Moeder Gods als haar eigen, en zij bood zich heldhaftig als offer aan voor de zondaars. [...] En toen voor Francisco het ogenblik van afscheid gekomen was, droeg Jacinta hem op: „Breng Onze Heer en Onze Lieve Vrouw veel groeten van mij en zeg hun dat ik alles lijd wat zij vragen om de zondaars te bekeren.”
De aanblik van de hel bij de verschijning van 13 juli had bij Jacinta zo'n indruk achtergelaten dat geen versterving en boete haar te veel was om de zondaars te redden. [...]
Mijn laatste woord geldt de kinderen: lieve jongens en meisjes, de Moeder Gods heeft jullie allemaal werkelijk heel hard nodig om Jezus te troosten, die bedroefd is over de dwaasheden die worden begaan; zij heeft jullie gebeden en offers voor de zondaars nodig.
Vraag jullie ouders en opvoeders dat zij jullie naar de „school” van de Moeder Gods sturen, opdat zij jullie leert te zijn zoals de herderskinderen, die alles probeerden te doen wat zij van hen vroeg. Ik zeg jullie: „In korte tijd van onderworpenheid aan Maria en afhankelijkheid van haar maakt men grotere vorderingen dan in lange jaren van eigenwil en zelfvertrouwen.” (H. Lodewijk Maria Grignion de Montfort, „Abhandlung über die vollkommene Andacht zu Maria”, Freiburg/Schweiz 1925, nr. 155).
Op deze wijze werden de herderskinderen snel heilig. Doordat zij zich in volledige overgave door een zo goede leermeesteres lieten leiden, hebben Jacinta en Francisco in korte tijd de toppen van volmaaktheid bereikt. [...]
Moge de boodschap van hun leven altijd levend blijven om de weg van de mensheid te verlichten!
(Uit de preek van Johannes Paulus II bij de zaligverklaring van de herderskinderen Francisco en Jacinta op 13 mei 2000 in Fátima, in „Osservatore Romano”, 19 mei 2000)
„Laat die kinderen toch bij Mij komen …” (Mk 10,14)
„… over hen stort Ik hele stromen van genaden uit.” (Jezus tot de H. Zr. Faustina)
Lúcia dos Santos
Lúcia dos Santos werd op 22 maart 1907 in Aljustrel geboren. Zij was het oudste van de drie zienerskinderen.
Op 14-jarige leeftijd kwam Lúcia naar Porto, naar het college van de Zusters van de H. Dorothea in Vilar. In 1925 koos zij op 18-jarige leeftijd voor het kloosterleven en trad zij in bij het Instituut van de H. Dorothea in Tuy en Pontevedra (Spanje).
Omdat zij verlangde naar een leven met meer stilte, gebed en boete, trad zij in 1948 over naar de Karmel van de H. Theresia in Coimbra. Hier zette zij de zending voort die Onze Lieve Vrouw haar had toevertrouwd: de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria verbreiden.
Onze Lieve Vrouw kwam op 13 februari 2005 om haar thuis te halen. Sinds 19 februari 2006 rust haar sterfelijk lichaam, naast dat van haar beide gezellen, in de basiliek van Fátima.
„Wij vermengden onze tranen met het water om het daarna uit dezelfde bron te drinken waarin wij ze hadden vergoten. Zou deze regenput niet het beeld van Maria voorstellen, in wier hart wij onze tranen droogden en troost schepten?” [1 E I. 3]
„Ik roep altijd om Uw toevlucht, Uw naam, Uw hart, o Maria!”
(Zr. Maria Lúcia van Jezus en het Onbevlekte Hart)
Opmerking: Bij deze put achter het ouderlijk huis van Lúcia vond in 1917 de tweede verschijning van de engel plaats. Het was ook de plek waar de herderskinderen graag verbleven om samen te bidden en hun vreugden en lijden met elkaar te delen.
H. Francisco Marto
De H. Francisco Marto werd op 11 juni 1908 in Aljustrel geboren. Samen met zijn zuster Jacinta en zijn nicht Lúcia mocht hij driemaal een engel en zesmaal de Moeder Gods zien. Vanaf die tijd was zijn enige levensideaal Jezus vreugde en troost te bereiden.
Hij wilde zich daarom zelf angstvallig voor elke zonde hoeden en haar zo mogelijk ook bij anderen verhinderen, opdat de Heer niet bedroefd zou hoeven zijn. Blij bracht hij alle offers die maar mogelijk waren om Jezus te troosten. Vele uren bracht hij alleen door voor de tabernakel of hij begaf zich naar een afgelegen plek om de Heer troost te brengen. Op bijna 11-jarige leeftijd, op 4 april 1919, heeft God zijn kleine „troostengel” tot zich genomen.
Op een dag zei hij tot mij:
„Ik was erg blij de engel te zien. Nog meer vreugde voelde ik bij de aanblik van Onze Lieve Vrouw. Het mooiste echter vond ik de Heiland in dat licht dat Onze Lieve Vrouw in onze borst liet stralen. Ik heb God zo lief. Maar Hij is zo bedroefd wegens de vele zonden, wij mogen er nooit meer een begaan.”
(uit zijn woorden, [4 E I. 4])
Toen ik eens mijn verdriet uitte over de vervolging die zich binnen en buiten onze familie tegen mij begon te verheffen, wilde hij mij opbeuren en zei:
„Laat maar! Heeft Onze Lieve Vrouw niet voorzegd dat wij veel zouden moeten lijden om Onze Heer en haar Onbevlekt Hart genoegdoening te geven voor de zonden waarmee zij worden beledigd? Zij zijn zo bedroefd! Als wij hen door dit lijden kunnen troosten, moeten wij ons verheugen.”
(uit zijn woorden, [4 E I. 4])
Op een dag vroeg ik hem:
„Gaat het beter met je?”
„Nee, ik voel me slechter. Maar het duurt niet lang meer, dan kom ik in de hemel. Daar zal ik de Heiland en de Moeder Gods veel troosten.”
(uit zijn woorden, [4 E I. 12])
Terwijl Jacinta alleen bezig scheen met de gedachte zondaars te bekeren en zielen voor de hel te behoeden, dacht hij er alleen aan Onze Heer en Onze Lieve Vrouw te troosten, die hem zo bedroefd leken. [4 E I. 12]
Op de dag voor zijn dood zei hij mij:
„Nog maar korte tijd en ik kom in de hemel!”
(op de dag voor zijn dood, [4 E I. 16])
Het was al nacht toen ik afscheid van hem nam:
„Francisco, tot ziens! Als je deze nacht in de hemel komt, vergeet mij daar niet, hoor je?”
„Ik zal je niet vergeten. Wees gerust!”
„Tot ziens dan, Francisco! […] Tot ziens in de hemel!”
En de hemel kwam dichterbij. Daarheen vloog hij de volgende dag in de armen van zijn hemelse Moeder.
(uit zijn laatste woorden, [4 E I. 17])
H. Jacinta Marto
De H. Jacinta Marto werd op 11 maart 1910 in Aljustrel geboren. Zij was het jongste van de drie zienerskinderen. Bovendien werd zij nog andere verschijningen van de Moeder Gods waardig bevonden en zag zij ook herhaaldelijk de Heilige Vader. Haar verdere leven werd gekenmerkt door onvermoeibaar bidden en grootmoedig offeren om de zondaars te bekeren en het Onbevlekte Hart van Maria genoegdoening te geven. Vroeg voltooid, op de leeftijd van bijna 10 jaar, heeft God op 20 februari 1920 zijn kleine „engeltje van genoegdoening” tot zich genomen.
Soms kuste en omhelsde zij een kruis en zei:
„O mijn Jezus, ik bemin U en wil veel lijden uit liefde voor U.”
([1 E III. 5])
Op een dag tijdens haar ziekte zei zij tot mij:
„Ik zeg Jezus zo graag dat ik Hem liefheb. Wanneer ik het Hem vele malen zeg, lijkt het mij dat ik een vlam in de borst heb, maar ik verbrand er niet door.”
Een andere keer zei zij:
„Ik heb Onze Heer en Onze Lieve Vrouw zo lief dat ik er nooit moe van word hun te zeggen dat ik van hen houd.”
([1 E II. 3])
Kort voordat zij naar het ziekenhuis moest, zei zij:
„Het duurt niet lang meer of ik ga naar de hemel. Jij blijft hier om de mensen te zeggen dat God de devotie tot het Onbevlekte Hart van Maria stevig in de wereld wil vestigen. […] Zeg het aan allen dat God ons de genaden schenkt door het Onbevlekte Hart van Maria, dat de mensen ze moeten vragen, dat het Hart van Jezus wil dat aan Zijn zijde ook het Hart van onze hemelse Moeder wordt vereerd. Men moet de vrede vragen aan onze hemelse Moeder, want God heeft hem haar toevertrouwd.”
([3 E 9])
Eindelijk kwam de dag van haar vertrek naar Lissabon. Het afscheid was hartverscheurend. Lang hield zij mij omarmd en zei huilend:
„Nooit meer zullen wij elkaar terugzien! Bid veel voor mij tot ik in de hemel kom. Daarna zal ik daarboven voor jou bidden. Heb Jezus en het Onbevlekte Hart van Maria zeer lief en breng veel offers voor de zondaars.”
Vanuit Lissabon liet zij mij nog zeggen dat Onze Lieve Vrouw haar daar al had bezocht. Zij had haar het uur en de dag van haar dood geopenbaard, en zij legde mij op het hart heel goed te zijn.
([1 E III. 6])
Op 20 februari 1920 stierf Jacinta in het ziekenhuis in Lissabon.
De Boodschap in het Kort
De boodschap van Fátima wordt ook het overzicht van het Evangelie genoemd, geformuleerd door Onze Lieve Vrouw, en omvat de volgende accenten:
Vastberaden bekering
Trouwe vervulling van de geboden van God en persoonlijke plichten van stand
(„De Koningin van de heilige rozenkrans wil niets anders dan heiligheid. Onze Lieve Vrouw van Fátima vraagt de volmaakte vervulling van de plichten van de eigen staat … Er zijn zielen die geloven dat het daarbij gaat om grote en buitengewone versterving en kastijding, waartoe zij zich niet in staat achten en daarom de moed verliezen, terwijl de lieve Moeder Gods over de vervulling van de plichten van de eigen staat spreekt wanneer zij boete vraagt. Daarin bestaat de heiligheid.”)
(Zr. Lúcia in: Fátima und der Friede, blz. 98)Regelmatige ontvangst van de sacramenten
Verering van het Onbevlekte Hart van Maria
door persoonlijke wijding aan Maria
door meditatief gebed, vooral van de rozenkrans en genoegdoeningsgebeden
door de praktijk van de Eerste Zaterdagen van genoegdoening aan het Hart van Maria
(„Om de zegepraal van haar Onbevlekt Hart te bespoedigen en te ondersteunen, wenste Maria dat de beoefening van de zaterdagen van genoegdoening in de hele Kerk zou worden gehouden.”)
(Zie A I.)door het dragen van het Bruine Scapulier
Passend apostolaat, vooral plaatsvervangend gebed en offer
(„Er is aan te nemen dat de Moeder Gods het tijdstip van haar grote en voor de hele wereld zichtbare zegepraal laat afhangen van het aantal van hen die haar verlangens vervullen. Tot het uur van de overwinning kan het daarom slechts onze taak blijven de boodschap te verkondigen en de mensen op te roepen haar te verwezenlijken.”)
(Fátima und der Friede, blz. 122)
Genoegdoeningsgebeden van de Engel
„Mijn God, ik geloof in U, ik aanbid U, ik hoop op U en ik bemin U. Ik vraag U vergiffenis voor hen die niet in U geloven, U niet aanbidden, niet op U hopen en U niet beminnen.”
„Allerheiligste Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, in diepste eerbied aanbid ik U en ik offer U op het kostbare Lichaam, het Bloed, de ziel en de Godheid van Jezus Christus, die tegenwoordig is in alle tabernakels van de wereld, tot genoegdoening voor alle smaad, heiligschennis en onverschilligheid waardoor Hij zelf beledigd wordt. Door de oneindige verdiensten van Zijn Heilig Hart en van het Onbevlekt Hart van Maria vraag ik U om de bekering van de arme zondaars.”
Dagoffer
„Goddelijk Hart van Jezus, door het Onbevlekt Hart van Maria offer ik U alles op wat ik heden bid, werk, offer en lijd in naam van alle zielen en voor alle zielen van de drievoudige heilige Kerk, in die bedoeling waarmee Gij zelf onophoudelijk bidt en U op onze altaren opoffert voor de redding van de zielen. Amen.”
„De mens is nooit groter dan wanneer hij knielt.”
(H. Paus Johannes XXIII)
De Parels van Onze Lieve Vrouw
„Ook gelijkt het Rijk der hemelen op een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar.”
(Mt 13,45-46)
Wanneer Maria ons steeds opnieuw aanspoort: „Bidt dagelijks de rozenkrans!”, reikt zij ons als het ware de Kostbare Parel van het Evangelie aan, die verborgen is in de geheimenissen van de rozenkrans.
En wie onder ons zoekt niet naar het kostbaarste in het leven? Toch grijpen we zo vaak naar parels die alleen aan de buitenkant schijnen maar waardeloos zijn voor de eeuwigheid. Daarom smeekt Maria ons zo ernstig alle ijdele en misleidende parels van dit leven te „verkopen” om de ene Kostbare Parel te verwerven.
Door het meditatief overwegen van de geheimenissen van de rozenkrans en ze stevig te verbinden met de draad van ons dagelijks leven, opent het rijk der hemelen – en daarmee God zelf – zich steeds meer voor ons.
De Beloften van de Koningin van de Rozenkrans
De Zalige Alan de la Roche (1428–1475), een dominicaanse prediker van de rozenkrans, verhaalt van een verschijning van de Moeder Gods. Zij droeg hem op de rozenkrans te bevorderen en te verspreiden. Ontelbare genaden heeft Maria beloofd aan hen die haar door dit gebed met volledig vertrouwen aanroepen.
Van de vijftien beloften in totaal worden hier vijf gegeven:
„Ik beloof mijn bijzondere bescherming en grote genaden aan allen die vroom het psalter van mijn rozenkrans bidden.”
(Zie het gebedswonder van Hiroshima: bij de verschrikkelijke atoombomaanval op Hiroshima op 6 augustus 1945 werden vier jezuïetenpaters op onverklaarbare wijze beschermd tegen de gruwelijke gevolgen van de atoomstraling. In een straal van 1,5 kilometer waren zij onder honderdduizenden de enige overlevenden. Zelfs hun pastorie, die slechts acht huizenblokken van het centrum van de explosie verwijderd was, stond nog overeind, hoewel alle gebouwen eromheen volledig verwoest waren. Verbaasd hoorden de zo'n 200 artsen en wetenschappers steeds weer hetzelfde antwoord op hun vele vragen: „Als missionarissen wilden wij in ons leven eenvoudig alleen de boodschap van de Moeder Gods van Fatima leven en daarom baden wij elke dag de rozenkrans.” Dat is de hoopvolle boodschap van Hiroshima: het rozenkransgebed is machtiger dan de atoombom. Tegenwoordig staat in het centrum van de herbouwde stad een Maria-gedachteniskerk, waarin dag en nacht de rozenkrans wordt gebeden. [Bron: http://www.gnadenquelle.de/hiroshima.htm])„De rozenkrans doet deugd en werken van vroomheid opnieuw bloeien. Door haar ontvangen zielen de volheid van de goddelijke barmhartigheid.”
Zij zal de harten bekeren, en zij zullen beginnen het aardse te verachten, het hemelse te beminnen en snel vorderingen te maken. Vele zielen worden door de rozenkrans gered.„Allen die vroom de rozenkrans bidden en de geheimenissen overwegen zullen niet door tegenspoed worden neergedrukt en zullen voor een onvoorziene dood worden bewaard. Zijn zij in zonden, dan zullen zij de genade van de bekering verkrijgen; de genade van de volharding echter, wanneer zij rechtvaardig zijn, en zij zullen deel krijgen aan het eeuwig leven.”
„Zeer spoedig zal ik uit het vagevuur verlossen de zielen die in hun leven mijn rozenkrans hebben bemind.”
„De getrouwe kinderen van mijn rozenkrans zullen grote heerlijkheid in de hemel genieten.”
(Uit: Perlen und Rosen)
De Geheimenissen van de Rozenkrans
De Opening:
In de naam van de Vader … (Kruisteken)
Ik geloof in God … (Apostolische Geloofsbelijdenis)
Daarna volgen:
1 Onze Vader
3 Wees gegroet (Ave Maria), in elk waarvan, na de naam „Jezus”, de drie goddelijke deugden worden ingevoegd:
… vermeerder ons geloof
… versterk onze hoop
… ontsteek onze liefde
Deze opening wordt afgesloten met een Eer aan de Vader.
Verloop van de geheimenissen van de rozenkrans:
Bij elk afzonderlijk geheim van de rozenkrans wordt eerst:
1 Onze Vader gebeden.
Daarna volgen:10 Wees gegroet met de telkens passende meditatietekst*, die na de naam „Jezus” wordt ingevoegd.
Aan het slot van elk geheim:Eer aan de Vader
Het zogenaamde Fatimagebed:
„O mijn Jezus, vergeef ons onze zonden, behoed ons voor het vuur van de hel, breng alle zielen naar de hemel, vooral diegenen die Uw barmhartigheid het meeste nodig hebben.”
(„De woorden die wij biddend uitspreken zijn woorden van de engel, woorden van de Heilige Geest … Het nieuwe aan de rozenkrans is eigenlijk alleen dat wij bij deze woorden blijven stilstaan; dat wij ze herhalen, omdat grote dingen door herhaling niet saai worden. Alleen het onbelangrijke heeft afwisseling nodig … Het grote wordt groter doordat wij het herhalen, en wijzelf worden er rijker door …”)
(Kardinaal Joseph Ratzinger, op de Duitse Katholiekendag 1984)
De Geheimenissen van de Rozenkrans:
De Blijde Geheimenissen
… die Gij, o Maagd, van de Heilige Geest hebt ontvangen.
… die Gij, o Maagd, tot Elisabet hebt gedragen.
… die Gij, o Maagd, te Betlehem hebt gebaard.
… die Gij, o Maagd, in de Tempel hebt opgedragen.
… die Gij, o Maagd, in de Tempel hebt teruggevonden.
De Lichtende Geheimenissen
… die door Johannes werd gedoopt.
… die Zich openbaarde op de bruiloft te Kana.
… die ons het rijk Gods verkondigde.
… die op de berg werd verheerlijkt.
… die ons de Eucharistie gaf.
De Droevige Geheimenissen
… die voor ons bloed zweette.
… die voor ons werd gegeseld.
… die voor ons met doornen werd gekroond.
… die voor ons het zware Kruis droeg.
… die voor ons werd gekruisigd.
De Glorierijke Geheimenissen
… die uit de doden verrees.
… die ten hemel voer.
… die ons de Heilige Geest zond.
… die U, o Maagd, ten hemel opnam.
… die U, o Maagd, in de hemel kroonde.
„De allerzaligste Maagd gaf de rozenkrans zulk een werkzaamheid dat er geen probleem in ons leven is dat niet door dit gebed kan worden opgelost.” (Lúcia dos Santos)
„De rozenkrans is mijn lievelingsgebed. Het is een wonderbaarlijk gebed, wonderbaarlijk in zijn eenvoud en zijn diepte.” (H. Paus Johannes Paulus II)
„Wanneer wij bidden, worden wij een straal van Gods liefde: bij ons thuis, daar waar wij leven, en ten slotte voor de hele grote wereld.” (H. Moeder Teresa)
Ook Josefinchen heeft de „Kostbare Parel” ontdekt:
„Wees gegroet, Maria …”
Wijding aan het Onbevlekte Hart van Maria
Allerheiligste Maagd Maria! Moeder van God en mijn Moeder! Ik wijd mij aan Uw Onbevlekte Hart met al wat ik ben en heb. Neem mij onder Uw moederlijke bescherming! Bewaar mij voor alle gevaren. Help mij de bekoringen te overwinnen die mij tot het kwaad leiden, opdat ik de reinheid van mijn lichaam en ziel moge bewaren. Uw Onbevlekte Hart zij mijn toevlucht en de weg die mij tot God leidt.
Verkrijg voor mij de genade vaak te bidden en te offeren uit liefde voor Jezus, voor de bekering van zondaars en tot genoegdoening voor de zonden die tegen Uw Onbevlekte Hart zijn begaan. In vereniging met U en het Hart van Uw goddelijke Zoon wens ik te leven in volledige wijding aan de Allerheiligste Drievuldigheid, in wie ik geloof, die ik aanbid, op wie ik hoop en die ik bemin. Amen.
(Zr. M. Lucia van Fatima)
Imprimatur: Fatima, 1 juli 2006, Antonio, Ep. Leir.-Fatimensis
Wanneer wij ons aan de Moeder Gods wijden om alles met Maria, in Maria, door Maria en voor Maria te doen, leidt zij ons zeker tot volledige wijding aan Jezus. Tegelijk plaatsen wij door deze wijding onze innerlijke en uiterlijke bezittingen, ja zelfs de waarde van al onze goede werken, in de handen van Maria, opdat zij ze moge bewaren, vermeerderen en verfraaien. Wat wij zo aan Maria toevertrouwen kan door geen mens, door de boze vijand noch door onze eigen zwakheid van ons worden weggenomen. Bovendien beoefenen wij daardoor de christelijke liefdadigheid in hoge mate, omdat wij Maria toestaan te beschikken over onze geestelijke goederen ten bate van de levenden en de doden.
(Zie H. L. M. Grignion de Montfort, Das Goldene Buch, blz. 233–238)
Wijding aan de Barmhartige Jezus
Barmhartige Jezus, Uw goedheid is oneindig en de schatten van Uw genaden zijn onuitputtelijk.
Ik stel grenzeloos vertrouwen in Uw barmhartigheid, die al Uw werken overtreft.
Ik wijd mij geheel aan U toe, om te leven in de stralen van Uw genade en liefde die uit Uw Hart aan het Kruis zijn voortgekomen.
Ik wens Uw barmhartigheid te verspreiden en vooral Uw rozenkrans te bidden, om Uw barmhartigheid voor ons aan te roepen, voor de bekering van zondaars, voor de hele wereld en voor de arme zielen in het vagevuur.
Maar Gij zult mij beschermen als Uw eigendom en Uw eer, want ik vrees alles van mijn zwakheid en hoop alles op Uw barmhartigheid.
Moge heel het mensdom de ondoorgrondelijke diepte van Uw barmhartigheid erkennen, al hun hoop daarop plaatsen en haar voor altijd loven. Amen.
Jezus, ik vertrouw op U,
want Gij zijt mijn vertrouwen!
Hartenruil
Hartenruil met Maria
Leg, o wonderbare Moeder, in plaats van mijn zondig hart Uw Onbevlekte Hart, opdat de Heilige Geest in mij moge werken en Uw goddelijke Zoon in mij moge groeien.
Schenk mijn verzoek, o grote, o getrouwe Middelares van alle genaden. Amen.
Hartenruil met Jezus
Leg, o goede Jezus, in plaats van mijn zondig hart Uw goddelijk gewond Hart, opdat de Heilige Geest in mij moge werken en Gij, Barmhartige Jezus, in mij moge groeien.
Schenk mijn verzoek, o goede, o getrouwe en liefhebbende Jezus, opdat Gij spoedig als Koning van Vrede over deze wereld moge heersen. Amen.
Opmerking:
De hartenruil met Jezus wordt voorbereid door de hartenruil met Maria. Maria, de grote Middelares van genaden, stort alle genaden over ons hart en bereidt ons hart voor op de hartenruil met Jezus.
De hartenruil met Jezus transformeert ons hart en geeft de genade vrije loop, opdat wij de wil van God mogen erkennen en vervullen. Het is de persoonlijke totale wijding aan God met het doel dat Christus in ons en over de wereld als Koning van Vrede moge heersen.
„Geen enkel gebed, geen traan van geheime nood, geen adem van geheim verlangen tot God gericht zal ooit tevergeefs zijn! Doch in Gods eigen tijd en op Zijn wijze zullen zij als wolken van zegen teruggeblazen worden en op u en op allen voor wie gij bidt in een stroom van barmhartigheid neerdalen.”
Wees niet ontmoedigd!
„Ik zal u nooit verlaten.
Mijn Onbevlekt Hart zal uw toevlucht zijn
en de weg die u tot God zal leiden.”
(Maria tot Lúcia op 13 juni 1917)
Het Kruisteken
In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.
De Apostolische Geloofsbelijdenis
Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de Maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, die nedergedaald is ter helle, de derde dag verrezen uit de doden, die opgestegen is ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader; vandaar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de Heilige Geest, de heilige katholieke Kerk, de gemeenschap van de heiligen, de vergiffenis van de zonden, de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven. Amen.
Onze Vader
Onze Vader die in de hemel zijt,
Uw naam worde geheiligd,
Uw rijk kome,
Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden,
zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren,
en breng ons niet in beproeving,
maar verlos ons van het kwade. Amen.
Wees gegroet
Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u,
gij zijt de gezegende onder de vrouwen,
en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.
Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.