Deze pagina is automatisch vertaald uit het Duits. Bekijk Duits origineel →
Goddelijke Barmhartigheid

Goddelijke Barmhartigheid

Verering van de Goddelijke Barmhartigheid

Volgens de openbaringen van Jezus uit het Dagboek van de Heilige Zuster Faustina

Mijn dochter, verkondig aan de hele wereld Mijn ondoorgrondelijke barmhartigheid. [699]

Zeg het lijdende mensdom dichter bij Mijn barmhartige Hart te komen en Ik zal het met vrede vullen. [1074]

„Niets is de mens zo noodzakelijk als de barmhartigheid van God.”
H. Paus Johannes Paulus II.

Op het Spoor van de Goddelijke Barmhartigheid

„Dankzij de innige barmhartigheid van onze God, waarmee Hij uit de hemel op ons zal neerzien, de Opgaande Zon …” (Lk 1,78)

Innerlijkheid en spiritualiteit: de verzorging en ontplooiing van de religieuze aanleg van de mens (...) al deze eersteklas opgaven en gelukkig makende vruchten van een beleefd geloof vinden wij in het Dagboek van Zuster Maria Faustina:

„O, hoe mooi is de geestelijke wereld! Zij is zo werkelijk dat in vergelijking daarmee het uiterlijke leven niets is dan lege illusie en onmacht!” [884]

Zuster Faustina toont ons wat in de loop van de ontwikkeling van de laatste decennia niet zelden naar de achtergrond is verdrongen, zo niet in vergetelheid is geraakt – het innerlijke leven van de ziel met God.

„Als de zielen toch maar naar Mijn stem wilden luisteren wanneer Ik spreek in de diepte van hun hart, zij zouden in korte tijd de top van de heiligheid bereiken.” [584]

De ware innerlijkheid bestaat in vreugdevolle liefde tot God en tot Zijn heilige wil:

„Droefheid kan zich niet nestelen in een hart dat God liefheeft!” [886]

Onder de naam van totale vrijheid en grenzeloze emancipatie werden de geboden van God als repressief (onderdrukkend) bestempeld – ja, God Zelf werd tot tegenstander van de menselijke vrijheid verklaard. Paus Johannes Paulus II stelde in zijn encycliek Dominum et Vivificantem (Nr. 38) vast dat God uiteindelijk tot vijand van Zijn eigen schepsel werd verklaard. Zuster Faustina ontmaskert deze blasfemie (godslastering) door met stralende helderheid te verkondigen:

„De liefde tot God maakt de ziel vrij! Zij is als een koningin die de dwang van slavernij niet kent!” [890]

De bezorgdheid van veel gelovigen dat innerlijkheid en geestelijk leven een zeer moeilijke zaak zouden zijn, en dat de opgang van de ziel alleen met buitengewone daden bereikt zou kunnen worden, had reeds de H. Theresia van het Kind Jezus met haar „Kleine Weg” als ongegrond van de hand gewezen. Geheel aan deze traditie verbonden, richt het Dagboek van Zuster Faustina zich op wat beslissend is in het godsdienstig leven: op de liefde.

„Jezus, Gij hebt mij getoond waarin de grootheid van de ziel bestaat: niet in grootse daden, maar alleen in de grote liefde. De liefde maakt de waarde uit. Zij geeft alle daden hun waarde. Zo worden ook kleine en alledaagse daden door de liefde groot en gewichtig voor God. De liefde is een geheim dat alles wat zij aanraakt, in mooie en God welgevallige dingen verandert.” [889]

God is liefde. (1 Joh 4,16) En liefde wil zich schenken. Zich schenken is vreugde, zich niet kunnen schenken is lijden. Jezus geeft Zich helemaal aan God; Hij geeft Zijn leven voor de zonde van de wereld. Tegenover de zondige mens openbaart de liefde zich als barmhartigheid (miseri cor dare = misericordia).

De Goddelijke Barmhartigheid is groter dan de menselijke ellende. Hoe ellendiger de zondige mens, des te meer is de goedheid van God geneigd hem barmhartigheid te bewijzen. Deze totale bereidheid om aan ieder barmhartigheid te schenken wordt aan Faustina op bijzondere wijze geopenbaard. Haar bijzondere roeping is Gods barmhartigheid te verkondigen. Dat is ook de zin van het beeld dat zij moest schilderen: een beeld dat al bij het aanschouwen een grenzeloos vertrouwen in de Goddelijke Barmhartigheid wekt. (…)

„Ik kan zelfs de grootste zondaar niet straffen. Wanneer hij zich op Mijn barmhartigheid beroept, rechtvaardig Ik hem in Mijn ondoorgrondelijke en onnaspeurlijke barmhartigheid.” [1146]

Volgens de openbaring van Jezus aan Faustina is alleen het inzicht in de eigen ellende en de openheid voor de roep van de Heer nodig; dan zullen stromen van barmhartigheid uit het Hart van Jezus over de mensen worden uitgestort. Zuster Faustina wordt zo de heraut van het vertrouwen in de oneindige barmhartigheid. Wat er ook in het leven van een mens gebeurd moge zijn, en waren het de zwaarste zonden – altijd is het volle, onverminderde vertrouwen op de barmhartige liefde van Jezus de weg naar het heil.

De volledige kloosternaam van onze Dienares van God luidt: Zuster Maria Faustina van het Allerheiligste Sacrament. Deze naam geeft zicht op een verdere rijkdom van dit in God verzonken leven, namelijk de betekenis van de Heilige Communie in het leven van Faustina. Zij heeft een aantal voorbereidingen op het ontvangen van de Heilige Communie nagelaten. Het zijn kostbaarheden vol ongelooflijke liefde en diepgang. Ook hier kan een goddelijke Voorzienigheid worden herkend: in de tijd van de massacommunies, van het massale ontvangen van de communie, is het nodig de vele communicanten telkens weer bewust te maken wie zij ontvangen, en wat tot een goede voorbereiding, een waardige en innerlijke ontvangst en een zorgvuldige dankzegging behoort.

„Het plechtigste ogenblik van mijn leven is altijd het ogenblik waarop ik de Heilige Communie ontvang … De engelen zouden ons mensen, als zij het konden, om slechts twee dingen benijden: het ontvangen van de Heilige Communie en het lijden.” [1804]

Met het laatst aangehaalde woord is een verdere dimensie in het leven van Faustina aangeduid. Het lijden was haar vertrouwde metgezel geworden. Met de heilige hostie van de Eucharistie wilde zij zelf tot hostie, tot offer worden. Enerzijds was het haar verlangen om met Jezus te lijden voor de redding van de zondaars.

„De Heer heeft mij tijdens het Heilig Uur toegestaan Zijn Lijden mee te beleven. Ik heb deelgenomen aan de bitterheid die Zijn ziel tijdens het Lijden vervulde.” [872]

Anderzijds wilde zij aan Jezus genoegdoening verschaffen voor de krenkingen (moeilijkheden) die Hij van de mensen te verduren heeft; daarom zei Jezus haar bij de Heilige Communie vaak woorden als deze:

„Mijn dochter, jouw liefde is Mij een genoegdoening voor de koude van het hart van vele zielen.” [1816]

Hier wordt de in de vroomheidsgeschiedenis steeds bekende medewerking aan het heil van de zielen werkelijkheid. (...) Paus Pius XII sprak er in zijn encycliek Mystici Corporis nadrukkelijk over:

„Het is een waarlijk huiveringwekkend mysterie, dat men nooit genoeg kan overwegen, dat namelijk het heil van velen afhankelijk is van de gebeden en vrijwillige boetedoeningen van de leden van het mystieke Lichaam van Jezus Christus, die zij met dit doel op zich nemen.” (Heilslehre der Kirche, blz. 489, Frbg. Zwitserland 1953)

Na het lezen van het Dagboek van Zuster Faustina, dit kostbare kleinood van geestelijke literatuur, dringt zich de vraag op: hoe kan men ook maar een ogenblik leven zonder God te beminnen?

Uit het voorwoord bij het Dagboek van de H. Zuster Faustina van Bisschop Josef Stimpfle †, Augsburg, 6 augustus 1987

Op het Spoor van de Goddelijke Barmhartigheid

Zuster Faustina en Haar Missie

„In elke ziel verricht Ik het werk van barmhartigheid. Hoe groter de zondaar, des te groter zijn recht op Mijn barmhartigheid. Over elk werk van Mijn handen is Mijn barmhartigheid gevestigd.” [723]

De missie van Zuster Faustina omvat de devotie tot de Goddelijke Barmhartigheid in nieuwe vormen. De grondslag van deze devotie is het kinderlijke vertrouwen op God en de barmhartige liefde tot de naaste, als het ware de sleutel tot christelijke volmaaktheid.

Deze ondoorgrondelijke barmhartigheid heeft Zuster Faustina vooral leren kennen door de beschouwing van de werken van God. In de barmhartigheid van God ziet zij de enige reden waarom Hij schepselen uit het niets tot het bestaan roept. Zij schrijft daarover:

„O God, uit barmhartigheid hebt Gij het menselijk geslacht uit het niets tot het zijn geroepen en het overvloedig begiftigd met natuurlijke en bovennatuurlijke gaven. Dat was Uw goedheid nog niet genoeg. In Uw barmhartigheid schenkt Gij ons het eeuwige leven. Gij laat ons komen tot Uw eeuwig geluk, deelhebben aan Uw innerlijke leven en dat alleen op grond van Uw barmhartigheid. Gij begiftigt ons met Uw genade alleen omdat Gij goed zijt en vol liefde. Gij hebt ons niet nodig gehad om gelukkig te zijn, maar Gij, Heer, wilt Uw eigen geluk met ons delen.” [1743]

Nog meer herkent zij in de menswording van God Zijn overgrote barmhartigheid, die zich in het verlossingsgebeuren aan het Kruis het volmaaktst openbaart.

„Door Uw barmhartigheid – bekende zij in gesprek met Jezus – zijt Gij tot ons neergedaald om ons uit onze nood op te richten. (…) Het onbegrijpelijke wonder van Uw barmhartigheid geschiedt, Heer: het Woord is vlees geworden, God woont onder ons, het Woord van God – mens geworden barmhartigheid. Deze vernedering van God door het aannemen van de menselijke natuur is uitdrukking van Zijn barmhartigheid, inzet van Zijn liefde, waarover de hemel zich verwondert.” [1745]

Het herkennen van het mysterie van Gods barmhartigheid in het werk van de schepping, de verlossing en de zaligheid voltrok zich in haar leven door het gebruik van zeer eenvoudige middelen, zoals geestelijke lectuur, dagelijkse meditatie, beschouwing van de geheimen van de rozenkrans en van de staties van de kruisweg, het diepe beleven van de heilige sacramenten, de kerkelijke feesten in het liturgisch jaar, alsook het overwegen en opmerken van al het goede dat God in de wereld en in haar persoonlijk leven had gewerkt.

De sleutel tot het Hart van God

Het fundament van de devotie tot de barmhartigheid van God is het vertrouwen. Het is als het ware de sleutel tot het Hart van God en het vat om alle genaden uit te putten.

„Uit Mijn barmhartigheid put men genaden met slechts één vat, en dat is het vertrouwen. Hoe meer een ziel vertrouwt, des te meer ontvangt zij.” [1578]

Dit vertrouwen bewijst zich daarin dat wij dagelijks opnieuw ons leven richten naar de wil van God. Dat gebeurt ten eerste door het vervullen van Zijn geboden en van onze standsplichten, ten tweede door het volgen van de ingevingen van de Heilige Geest en ten derde door het dankbaar aanvaarden van al Zijn beschikkingen en toelatingen. [Vgl. 444]

„Zeg, Mijn dochter, dat Ik geheel liefde en barmhartigheid ben. Wanneer een ziel zich met vertrouwen tot Mij nadert, vervul Ik haar met zo machtige genade dat zij deze genade in zichzelf niet kan bevatten en haar op andere zielen zal uitstralen.” [1074]

Barmhartigheid jegens de naaste is – naast het vertrouwen – het tweede wezenlijke bestanddeel van deze devotie. Daarom sprak Jezus de wens uit dat Zijn vereerders uit liefde tot Hem in de loop van de dag ten minste één daad van barmhartigheid jegens hun naasten verrichten.

„Barmhartigheid zult gij altijd en overal aan uw naaste bewijzen. Gij kunt u daaraan niet onttrekken, noch eruit praten, noch verontschuldigen. Ik geef u drie mogelijkheden om uw naaste barmhartigheid te bewijzen: ten eerste – de daad; ten tweede – het woord; ten derde – het gebed. In deze drie trappen is de volheid van de barmhartigheid vervat; zij is een onomstotelijk bewijs van liefde tot Mij. Zo prijst en vereert de ziel Mijn barmhartigheid.” [742]

Hij verklaarde ook dat de barmhartigheid jegens de ziel verdienstelijker is en voegde eraan toe dat daarvoor geen materiële middelen nodig zijn. Barmhartigheid kan en moet ieder mens bewijzen, vooral ieder gedoopte, overeenkomstig de boodschap van het Evangelie.

Zo heeft de devotie tot de barmhartigheid van God niet uitsluitend het karakter van een gebed, maar is zij een diep beleefde verschijningsvorm van het christelijk leven.

Dit genadebeeld bevindt zich sinds september 2005 in het Heiligdom van de Barmhartigheid Gods in Vilnius (Litouwen). Eugeniusz Kazimirowski was de eerste schilder die de opdracht kreeg om naar de beschrijvingen van Zr. Faustina het beeld van de Barmhartige Jezus te schilderen. Toen zij het in 1934 voor het eerst zag, huilde zij bitter, omdat het niet gelukt was Jezus zo mooi af te beelden als zij Hem had mogen aanschouwen. Maar Jezus troostte haar door tot haar te spreken: „Niet in de schoonheid van de kleuren of van de penseelstreek ligt de grootheid van dit beeld, maar in Mijn genade.” [313]

Het Beeld van de Barmhartige Jezus

„O eeuwige Liefde, Gij beveelt Uw heilig beeld te schilderen en ontsluit ons de onbegrijpelijke bron van de barmhartigheid. Gij zegent hen die Uw stralen naderen, en elke zwarte ziel verandert in sneeuw.” [1]

De ontmoeting van Zuster Faustina met de Barmhartige Jezus op 22 februari 1931 staat aan het begin van de verering van dat unieke beeld, waardoor vele mensen stromen van genade ontvangen. Zij schrijft:

„’s Avonds, toen ik in mijn cel was, zag ik Jezus, de Heer, in een wit gewaad. Een hand was opgeheven ten zegen, de andere raakte het gewaad op de borst aan. Uit de opening van het gewaad (…) gingen twee grote stralen uit, een rode en een bleke. (…) Mijn ziel was doordrongen van vrees, maar ook van grote vreugde. Na een poosje zei Jezus tot mij: ‚Schilder een beeld naar wat gij ziet, met het onderschrift: Jezu Ufam Tobie (Jezus, ik vertrouw op U)! Ik wens dat dit beeld vereerd wordt, eerst in uw kapel, daarna over de hele wereld.’” [47]

De inhoud van het beeld is nauw verbonden met de liturgie van de tweede zondag van de Paastijd (Feest van de Goddelijke Barmhartigheid). Het evangelie van de dag handelt over de verschijning van de Verrezene in de bovenzaal en over de instelling van het sacrament van de boete (vgl. Joh 20,19-23). De uit het doorboorde Hart vloeiende stralen van bloed en water alsook de wondtekenen aan handen en voeten herinneren aan de gebeurtenissen van Goede Vrijdag (vgl. Joh 19,16-37).

„De stralen van de barmhartigheid verteren Mij, Ik wil ze uitgieten over de zielen van de mensen.” [50]

Kenmerkend voor het beeld van de Barmhartige Jezus zijn de twee stralen, die de Heer zelf verklaarde:

„De bleke straal betekent het water dat de zielen rechtvaardigt; de rode straal betekent het bloed, dat het leven van de zielen is. (...) Deze twee stralen ontsprongen aan de diepten van Mijn barmhartigheid, toen Mijn stervend Hart aan het Kruis met de lans werd geopend. Gelukkig wie in hun schaduw zal leven.” [299]

De sacramenten van het doopsel en van de boete reinigen de ziel, en in het sacrament van de Eucharistie ontvangt zij telkens weer haar voeding.

Zo spreekt het beeld enerzijds van de grote barmhartigheid van God, die ons in het paasmysterie van Christus werd geopenbaard, en anderzijds herinnert het ons aan de christelijke praktijk van het vertrouwen en van de werkzame liefde tot de naaste. Op de houding van vertrouwen wijzen de woorden die op het beeld zijn aangebracht: Jezus, ik vertrouw op U!

„Het beeld”, zei Jezus, „moet herinneren aan de eisen van Mijn barmhartigheid, want ook het sterkste geloof baat niets zonder daden.” [742]

Aan een aldus begrepen verering van het beeld heeft de Heer het eeuwige heil beloofd:

„Ik beloof dat de ziel die dit beeld vereert, niet verloren zal gaan.” [48]

De Heer beloofde ook grote vooruitgang op de weg naar christelijke volmaaktheid, de genade van een gelukkig sterven, alsook alle andere genaden en tijdelijke weldaden waar de mensen Hem vol vertrouwen om zullen vragen:

„Door het beeld zal Ik de zielen vele genaden schenken, daarom moet elke ziel er toegang toe hebben.” [570]

In 1943 schilderde de kunstschilder Adolf Hyla, uit dank voor zijn redding uit de oorlog, eveneens een schilderij van de Barmhartige Jezus en schonk het als wijgeschenk aan de kapel van de zusters van de Congregatie van de Moeder Gods van de Barmhartigheid in Krakau. Tot op heden komen ontelbare mensen naar dit heiligdom om de Barmhartige Jezus te vereren en genaden te vragen. Kopieën van dit grote genadebeeld zijn over de hele wereld verspreid.

Het Feest van de Goddelijke Barmhartigheid

„Ik wens dat de eerste zondag na Pasen het feest van de barmhartigheid wordt.” [299]
„De priesters moeten op deze dag aan de zielen Mijn grote en ondoorgrondelijke barmhartigheid verkondigen.” [570]

Deze wens heeft Jezus voor het eerst in 1931 in Płock geuit, toen Hij Zijn wil meedeelde betreffende het ontstaan van het beeld van de Barmhartige Jezus. In de volgende jaren kwam Jezus veertien keer op dit verlangen terug, waarbij Hij in de liturgische kalender de plaats van dit feest aanwees, de reden en het doel van de instelling ervan beschreef, alsook de wijze van voorbereiding en viering.

De keuze van de eerste zondag na Pasen, die het octaaf van de Verrijzenis van de Heer besluit, wijst op het nauwe verband van het paasmysterie met het Feest van de Goddelijke Barmhartigheid. Lijden, dood en verrijzenis van Christus zijn bron en hoogtepunt van de openbaring van Gods barmhartige liefde.

„Het Feest van de Goddelijke Barmhartigheid werd door Paus Johannes Paulus II op 30 april 2000 voor de hele Kerk ingesteld.”

Het werk van de verlossing toont zich in zijn gehele volheid in de heilige sacramenten, waarover de liturgie van dit feest spreekt. De sacramenten van het doopsel, van de boete en van de Eucharistie zijn daarom onuitputtelijke bronnen van Gods barmhartigheid, waartoe de Kerk alle generaties op de hele aarde leidt.

Daarom moet de Zondag van de Barmhartigheid niet alleen de dag van de bijzondere verering van God in dit mysterie zijn, maar ook de dag van de genade voor alle mensen, in het bijzonder voor de zondaars.

„Ik wens dat het feest van de barmhartigheid een toevlucht en een schuilplaats wordt voor alle zielen, vooral voor de arme zondaars. Op deze dag is het binnenste van Mijn barmhartigheid geopend; Ik stort een hele zee van genaden uit over die zielen die de bron van Mijn barmhartigheid naderen. De ziel die biecht en de Heilige Communie ontvangt, verkrijgt volledige kwijtschelding van schuld en straffen; op deze dag staan alle sluizen van God open waardoor genaden stromen. Geen ziel hoeft bang te zijn Mij te naderen, ook al waren haar zonden rood als scharlaken.” [699]

De voorbereiding op het Feest van de Goddelijke Barmhartigheid moet een noveen zijn, die erop berust dat men negen dagen lang de rozenkrans van de Goddelijke Barmhartigheid bidt.

„In deze noveen”, zei de Heer, „zal Ik de zielen alle genaden schenken.” [796]

Het Feest van de Goddelijke Barmhartigheid werd door Paus Johannes Paulus II op 30 april 2000 voor de hele Kerk ingesteld.

De Rozenkrans van de Goddelijke Barmhartigheid

„Door het bidden van de rozenkrans van de Goddelijke Barmhartigheid brengt gij de mensheid dichter bij Mij.” [929]
„Het behaagt Mij hun door dit gebed alles te schenken waar zij Mij om vragen.” [1541]

Dit gebed dicteerde Jezus aan Zuster Faustina op 13 – 14 september 1935. [474–476] In totaal sprak Jezus er veertien keer over, verklaarde het doel en de beloften die met het gebed samenhangen. In dit gebed offeren wij aan God de Vader op: Lichaam en Bloed, Ziel en Godheid van Zijn beminde Zoon tot genoegdoening voor onze zonden en voor die van de hele wereld. Wij verenigen ons met het offer van Jezus aan het Kruis, dat Hij voor de verlossing van de wereld heeft volbracht; wij beroepen ons op de liefde waarmee God de Vader Zijn Zoon liefheeft en in Hem alle mensen. Wanneer wij daarbij in alles waar wij om vragen de wil van God en Zijn eer voor ogen houden, wordt ons de belofte van Jezus geschonken:

„Door het gebed verkrijgt gij alles, indien datgene waar gij om vraagt, met Mijn wil overeenstemt.” [1731]

Volgens de belofte van Jezus zullen vooral de zondaars en de stervenden bijzondere genaden ontvangen.

„De priesters zullen hem aan de zondaars reiken als laatste reddingsanker. Al was het de meest verstokte zondaar – indien hij maar één keer deze rozenkrans bidt, zal hem de genade van Mijn oneindige barmhartigheid ten deel vallen.” [687]

Wanneer deze rozenkrans van de barmhartigheid bij stervenden wordt gebeden, zal Jezus, zo zei Hij, tussen Zijn Vader en de stervende niet als rechtvaardige rechter staan, maar als barmhartige Verlosser. [1541]

Om echter al de beloofde genaden te verkrijgen, is het belangrijk dat ons bidden gekenmerkt wordt door volhardend vertrouwen op de barmhartigheid van God en door oprecht berouw over onze zonden.

„Wanneer de ziel de zwaarte van haar zonden ziet en erkent, wanneer zich voor haar ogen de hele afgrond van haar ellende (…) uitbreidt, moet zij niet wanhopen, maar zich met vertrouwen in de armen van Mijn barmhartigheid werpen, zoals een kind in de armen van zijn liefhebbende moeder.” [1541]

Volgens de H. Hildegard van Bingen heeft het berouw een wereldvernieuwende dynamiek. Daarmee kunnen wij de kosmische wereld in beweging brengen. De kracht van het berouw doet de natuur opbloeien en vruchtbaar worden. Zij schrijft: „In het berouw breekt de mens zijn zonden stuk. Het is geen kracht die uit ons zou komen, maar zij ontspringt aan het lijden van de Heer …” Van God de Vader ontvangt de H. Hildegard de wonderbare boodschap voor ieder mensenkind: „Waarom keert gij niet terug, wanneer gij gezondigd hebt? Ik bied u uit Mijn vaderhart de grootste kracht van Mijn liefde aan: het berouw.”

Handleiding voor het bidden van de rozenkrans van de Goddelijke Barmhartigheid [Klik hier]

De Noveen tot de Goddelijke Barmhartigheid

Het Uur van de Barmhartigheid

„In dit uur kwam de genade voor de hele wereld. De barmhartigheid overwon de gerechtigheid.” [1572]

In oktober 1937 raadde Jezus aan Zijn stervensuur te gedenken, dat Hij Zelf „het uur van de grote barmhartigheid voor de wereld” noemde. [1320] In februari 1938 herhaalde de Heer Zijn verlangen, waarbij Hij de wijze van het gebed in het uur van de barmhartigheid en de daaraan verbonden belofte omschreef.

Jezus wenst dat men in dit uur Zijn bitter lijden gedenkt, om de barmhartigheid van God te prijzen en te roemen en om door de verdiensten van Zijn bitter lijden de nodige genaden voor de wereld af te smeken, vooral voor de zondaars:

„Ik herinner u eraan (...) dat gij, zo vaak gij het derde uur hoort slaan, u geheel zult verdiepen in Mijn barmhartigheid, haar zult verheerlijken en prijzen. Roep haar almacht af voor de hele wereld, maar vooral voor de arme zondaars, want nu staat zij voor elke ziel wijd open.” [1572]

Om deze beloften echter te verkrijgen, moeten drie voorwaarden worden vervuld:

  1. Het gebed moet tot Jezus gericht zijn.

  2. Het moet om 15 uur worden gebeden.

  3. Het moet zich beroepen op het lijden van de Heer. [vgl. 1320]

Bovendien moet de devotie tot de barmhartigheid van God verbonden zijn met de houding van vertrouwen en van barmhartige liefde tot de naaste.

Jezus noemde ook geschikte gebedsvormen voor de verering van de Goddelijke Barmhartigheid:

„Doe uw best in dit uur de kruisweg te doen. Maar als dat u niet mogelijk is, ga dan een poosje naar de kapel en vereer Mijn Hart, dat vol barmhartigheid in het Allerheiligste Altaarsacrament verblijft. Indien ook dat u niet mogelijk is, verdiep u, al is het maar kort, in gebed, op de plaats waar gij op dat moment zijt. In dit uur kunt gij alles voor uzelf en voor anderen afsmeken.” [1572]

Gebed voor het Uur van de Dood van Onze Heer (15.00 uur)

Barmhartige Jezus, in dankbare herinnering aan Uw bittere dood aan het Kruis aanbid ik U in diepste eerbied en loof ik U om de onschatbare genade van de verlossing. Nederig vraag ik U, zie barmhartig op heel het mensdom en toon Uw ondoorgrondelijke barmhartigheid vooral aan arme zondaars en de stervenden. Amen.

Gebed voor de Bekering van een Ziel

„Als gij het volgende gebed bidt voor een zondaar met berouwvol hart en in geloof, zal Ik hem de genade van bekering schenken. Het gebed is:

O Bloed en Water, die uit het Hart van Jezus zijn voortgekomen als een bron van barmhartigheid voor ons, ik vertrouw op U.” [186]

Moeder Gods van Barmhartigheid

„Ik gaf de wereld de Verlosser, en gij zult de wereld vertellen van Zijn grote barmhartigheid en haar voorbereiden op Zijn wederkomst.” [635]

Zuster Faustina vertelt in haar Dagboek hoe zij meermaals de Moeder Gods als de Middelares tussen hemel en aarde mocht aanschouwen:

„… Ik zag tussen hemel en aarde de Moeder Gods in een helder gewaad. Zij bad, de handen op de borst gekruist en omhoogkijkend naar de hemel. Uit Haar Hart kwamen vurige stralen, sommige gingen naar de hemel, andere bedekten onze aarde.” [33]

Op 5 augustus 1935, het feest van de Moeder Gods van de Barmhartigheid, zag Zuster Faustina opnieuw Maria in onzegbare schoonheid, en ditmaal sprak Maria tot haar:

„Ik ben uw Moeder uit de ondoorgrondelijke barmhartigheid van God. De ziel die de wil van God trouw vervult, is Mij het liefst.” [449]

Met deze woorden herinnert Maria ons aan het uur van de grote barmhartigheid, waarin Jezus, stervend aan het kruis, ons Zijn Moeder als het ware als Poort van de Barmhartigheid heeft geschonken.

Sinds dat ogenblik is Maria volgens het goddelijk raadsbesluit de grote Middelares van de genade van de verlossingsverdiensten van Jezus (Vgl. Tweede Vaticaans Concilie, Lumen Gentium, Nr. 62). Maria draagt onze gebeden en offers omhoog naar het Hart van God. Daarom nodigt zij ons telkens weer uit onszelf, onze gezinnen en, plaatsvervangend, de hele mensheid aan haar moederlijk Hart te wijden. Door deze overgave aan Maria mogen wij meehelpen aan de triomf van haar Onbevlekt Hart, die zij reeds in 1917 in Fatima heeft aangekondigd.

Wijding aan het Onbevlekte Hart van Maria

Allerheiligste Maagd Maria!
Moeder van God en mijn Moeder! Ik wijd mij aan Uw Onbevlekte Hart met al wat ik ben en heb. Neem mij onder Uw moederlijke bescherming! Bewaar mij voor alle gevaren. Help mij de bekoringen te overwinnen die mij tot het kwaad leiden, opdat ik de reinheid van mijn lichaam en ziel moge bewaren. Uw Onbevlekte Hart zij mijn toevlucht en de weg die mij tot God leidt.

Verkrijg voor mij de genade vaak te bidden en te offeren uit liefde voor Jezus, voor de bekering van zondaars en tot genoegdoening voor de zonden die tegen Uw Onbevlekte Hart zijn begaan. In vereniging met U en het Hart van Uw goddelijke Zoon wens ik te leven in volledige wijding aan de Allerheiligste Drievuldigheid, in wie ik geloof, die ik aanbid, op wie ik hoop en die ik bemin. Amen. (Zr. M. Lucia)

De Barmhartigheid en de Gerechtigheid van God

„Voordat Ik kom als rechtvaardige Rechter, open Ik wijd de deur van Mijn barmhartigheid. Wie niet door de deur van Mijn barmhartigheid wil binnengaan, moet door de deur van Mijn gerechtigheid.” [1146]

Zuster Faustina herkende het mysterie van Gods barmhartigheid ook in de bestemming van de mens tot de eeuwige zaligheid. God heeft haar in Zijn goedheid en barmhartigheid de genade verleend de schoonheden en het geluk van de hemelse heerlijkheid te mogen aanschouwen, dat bereid is voor hen die Hem liefhebben en op Hem vertrouwen.

Een andere gebeurtenis die Zuster Faustina in haar Dagboek vertelt, is het verblijf in de plaats van loutering (het vagevuur), waar zij de lijdende zielen zag die voor hun zonden aan de gerechtigheid van God genoegdoening geven, wat een verdere gave van Gods barmhartigheid is. Deze zielen zijn vol hoop, want zij weten dat zij God eens mogen aanschouwen.

Heel anders is het gesteld met de plaats van de eeuwige kwellingen, de hel. Zuster Faustina werd op bevel van God door een engel in de afgronden van de hel geleid, om de mensen ervan te getuigen dat zij bestaat en bevolkt is met verdoemde zielen die vreselijke kwellingen verduren, die eeuwig duren.

Blik in de hemel

„Vandaag was ik in de geest in de hemel en aanschouwde de onbegrijpelijke schoonheden en het geluk dat ons na de dood wacht. Ik zag hoe alle schepselen onophoudelijk eer en roem aan God bewijzen. Ik zag hoe groot het geluk in God is, dat zich over alle schepselen uitstort, hen gelukkig maakt en hoe alle roem en alle eer uit de gelukzaligheid naar de bron terugkeren. Zij dringen door in de diepten van God, het innerlijke leven van God beschouwend – van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest –, dat zij nooit zullen begrijpen of doorgronden. Deze bron van geluk is in haar wezen onveranderlijk, maar altijd nieuw, bruisend van gelukzaligheid voor alle schepselen. Nu kan ik de heilige Paulus begrijpen, die heeft gezegd: ‚Geen oog heeft ze gezien, geen oor heeft ze gehoord, geen mens kan het zich voorstellen, al wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben.’ (1 Kor 2,9)

En God liet mij iets herkennen wat in Zijn ogen oneindige waarde heeft – het is de liefde van God, liefde, liefde en nogmaals liefde; met één enkele daad van zuivere liefde tot God is niets te vergelijken. (…) O mijn God, wat heb ik medelijden met de mensen die niet in het eeuwige leven geloven; ik bid zo zeer voor hen, opdat ook zij door een straal van barmhartigheid mogen worden aangeraakt en God hen aan Zijn vaderlijk Hart moge drukken.” [777–780]

In het vagevuur

In het begin van haar kloosterleven, tijdens een korte ziekte, vroeg Zuster Faustina aan Jezus voor wie zij nog moest bidden:

„Jezus antwoordde mij dat Hij mij in de volgende nacht zou laten weten voor wie ik moest bidden. Ik zag de beschermengel, die mij beval hem te volgen. Plotseling bevond ik mij op een mistige, met vuur gevulde plaats, en daarin vele lijdende zielen. Deze zielen bidden zeer innig, maar zonder uitwerking voor henzelf; alleen wij kunnen hun te hulp komen. De vlammen die om hen heen brandden, raakten mij niet aan. Mijn beschermengel verliet mij geen ogenblik. Ik vroeg de zielen wat hun grootste lijden was. Eenstemmig antwoordden zij mij dat hun grootste lijden het verlangen naar God was. Ik zag de Moeder Gods de zielen in het vagevuur bezoeken. De zielen noemen Maria ‚Ster der Zee’. Zij brengt hun verlichting. Ik wilde nog meer met hen praten, maar mijn beschermengel gaf mij een teken om te gaan. (…) Ik hoorde een innerlijke stem die zei:

‚Mijn barmhartigheid wil dat niet, maar de gerechtigheid eist het.’

Sinds die tijd onderhoud ik een nauwere omgang met de lijdende zielen.” [20]

Afdaling in de hel

„Vandaag werd ik door een engel in de afgronden van de hel geleid. Het is een plaats van grote kwelling; haar oppervlakte is vreselijk groot. De soorten van kwelling die ik zag, zijn de volgende: de eerste kwelling, die de hel uitmaakt, is het verlies van God; de tweede – de onophoudelijke gewetensverwijten; de derde – dat dit lot nooit meer verandert. De vierde kwelling – het vuur dat de ziel doordringt zonder haar te vernietigen; dat is een verschrikkelijke kwelling; het is een zuiver geestelijk vuur, ontstoken door Gods toorn. De vijfde kwelling – is de voortdurende duisternis en een vreselijk verstikkende stank. Hoewel het donker is, zien de duivels en de verdoemde zielen elkaar; zij zien al het kwaad van anderen en ook hun eigen kwaad. De zesde kwelling – is het onafgebroken gezelschap van Satan. De zevende kwelling – is de vreselijke wanhoop, de haat tegen God, de lasteringen, vervloekingen en smaadwoorden. Dat zijn kwellingen die alle verdoemden gemeenschappelijk ondergaan, maar dat is nog niet het einde. Er zijn nog bijzondere kwellingen voor de zielen, namelijk kwellingen van de zinnen. Waarmee de afzonderlijke ziel gezondigd heeft, daarmee wordt zij op vreselijke, onbeschrijfelijke wijze gepijnigd. Er zijn vreselijke holen en afgronden van foltering, waar de ene kwelling van de andere verschilt. Bij het zien van deze afschuwelijke pijn zou ik gestorven zijn, als Gods almacht mij niet in leven had gehouden. De zondaar moet weten dat hij met het zintuig waarmee hij zondigt, de hele eeuwigheid lang gepijnigd zal worden. Ik schrijf hierover op Gods bevel, opdat geen enkele ziel zich eruit kan praten dat de hel niet bestaat, of ook dat daar nooit iemand geweest is en men niet weet hoe het daar is.”

„Ik, Zuster Faustina, ben op Gods bevel in de afgronden van de hel geweest, om de zielen te berichten en te getuigen dat de hel bestaat. Nu kan ik daar niet over spreken, want ik heb Gods bevel dit schriftelijk na te laten. De duivels hadden een grote haat tegen mij, maar door Gods bevel moesten zij mij gehoorzamen. Wat ik heb neergeschreven, is een schrale schaduw van de dingen die ik zag. Eén ding kon ik opmerken: daar zijn meestal zielen die niet in de hel hadden geloofd. Toen ik weer tot mijzelf kwam, kon ik niet bekomen van de schrik over hoezeer de zielen daar lijden. Daarom bid ik nog inniger voor de bekering van de zondaars. Zonder ophouden smeek ik om Gods barmhartigheid voor hen. O mijn Jezus, ik wil liever tot het einde van de wereld kwellingen lijden dan U met de kleinste zonde te beledigen. ” [741]

Deze persoonlijke getuigenis van de heilige Zuster Faustina verdient des te meer aandacht, omdat zij overeenstemt met de leer van de Kerk:

„De leer van de Kerk bevestigt het bestaan van de hel en haar eeuwige duur. In doodzonde sterven zonder er berouw over gehad te hebben en zonder Gods barmhartige liefde te aanvaarden betekent uit eigen vrije keuze voor altijd van Hem gescheiden blijven.” (CKK 1035, 1033)

Gebeden tot de Goddelijke Barmhartigheid

„De gelukkigste ziel is die welke zich aan Mijn barmhartigheid toevertrouwt, want Ik Zelf zorg voor haar.” [1273]

Gebed van Zr. Faustina [163]

Zo vaak als mijn borst ademt, zo vaak als mijn hart klopt, zo vaak als het bloed in mijn lichaam pulst, zo vaak wil ik Uw barmhartigheid loven, o Allerheiligste Drievuldigheid. (…) Moge dit grootste attribuut van God, Zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid, door mijn hart en ziel tot mijn naasten gaan.

Help mij, o Heer, dat mijn ogen met barmhartigheid mogen kijken, dat ik nooit moge verdenken of naar uiterlijk oordelen, maar moge waarnemen wat mooi is in de zielen van mijn naasten en te hulp komen.

Help mij dat mijn gehoor barmhartig moge worden, dat ik moge aandacht schenken aan de noden van mijn naasten, dat mijn oren niet onverschillig mogen blijven voor het lijden en de klacht van mijn naasten.

Help mij, Heer, dat mijn tong barmhartig moge worden, dat ik nooit kwaad moge spreken van mijn naasten, maar een woord van troost en vergiffenis voor iedereen heb.

Help mij, Heer, dat mijn handen barmhartig en vol goede werken mogen zijn, dat ik alleen goed doe aan mijn naaste en moeilijker, zwaarder werk op mij neem.

Help mij dat mijn voeten barmhartig mogen zijn, dat zij altijd mogen haasten om mijn naaste te helpen en mijn eigen vermoeidheid en uitputting overwinnen. Mijn ware rust is in de dienst van mijn naaste.

Help mij, Heer, dat mijn hart barmhartig moge zijn, dat ik alle lijden van mijn naasten moge voelen, dat ik mijn hart aan niemand weiger, dat ik oprechte omgang moge onderhouden zelfs met hen van wie ik weet dat zij mijn vriendelijkheid zullen misbruiken; ikzelf zal mij opsluiten in het allerbarmhartigste Hart van Jezus. Ik zal stilzwijgen over mijn eigen lijden. Uw barmhartigheid, o mijn Heer, zal in mij rusten.

O mijn Jezus, verander mij in U, want Gij kunt alles.

Litanie van de Goddelijke Barmhartigheid [949]

Barmhartigheid van God,
voortgesproten uit de schoot van de Vader,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Grootste eigenschap van God,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Onbegrijpelijk mysterie van God,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Bron die ontspringt uit het mysterie van de Allerheiligste Drievuldigheid,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Noch doorgrond door het verstand van mensen noch van engelen,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Waaruit al het leven en geluk vloeit,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Verheven boven de hemelen,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Bron van wonderen en mysteries,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
De hele kosmos omvattend,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
In de wereld gekomen in de Persoon van het Woord dat vlees is geworden,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Vloeiend uit de open wond van het Hart van Jezus,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Vervat in het Hart van Jezus voor ons, vooral voor zondaars,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Onuitputtelijk in de instelling van het Allerheiligst Sacrament,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
In de stichting van de heilige Kerk,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
In het Sacrament van het heilig Doopsel,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
In onze rechtvaardigmaking door Jezus Christus,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Ons door ons hele leven begeleidend,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Ons vooral omarmend in het uur van onze dood,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Ons het eeuwige leven schenkend,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Naast ons in ieder moment van ons leven,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Ons beschermend tegen het vuur van de hel,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
In de bekering van hardnekkige zondaars,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Wonder van de engelen en onbegrijpelijk voor de heiligen,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Onuitputtelijk in alle mysteries van God,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Ons uit alle ellende verheffend,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Bron van ons geluk en onze vreugde,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Ons van het niets tot het leven roepend,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Al de werken van Zijn handen omvattend,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Kronend al wat is en zal zijn,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Waarin wij allen zijn ondergedompeld,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Zoete troost van angstige harten,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Enige hoop van wanhopige zielen,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Rust van harten, vrede te midden van terreur,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Vreugde en verrukking van heilige zielen,
Ik vertrouw op U!

Barmhartigheid van God,
Vertrouwen wekkend ondanks hopeloosheid,
Ik vertrouw op U!

O Eeuwige God, wiens barmhartigheid onuitputtelijk is en wiens schatkamer van medelijden grenzeloos is, zie genadig op ons neer en vermeerder Uw barmhartigheid in ons, opdat wij niet wanhopen of de moed verliezen in moeilijke tijden, maar met groot vertrouwen ons onderwerpen aan Uw heilige wil, die liefde en barmhartigheid zelf is. Amen.

Wijding aan de Barmhartige Jezus

Barmhartige Jezus, Uw goedheid is oneindig en de schatten van Uw genaden zijn onuitputtelijk. Ik stel grenzeloos vertrouwen in Uw barmhartigheid, die al Uw werken overtreft.

Ik wijd mij geheel aan U toe, om te leven in de stralen van Uw genade en liefde die uit Uw Hart aan het Kruis zijn voortgekomen.

Ik wens Uw barmhartigheid te verspreiden en vooral Uw rozenkrans te bidden, om Uw barmhartigheid voor ons aan te roepen, voor de bekering van zondaars, voor de hele wereld en voor de arme zielen in het vagevuur.

Maar Gij zult mij beschermen als Uw eigendom en Uw eer, want ik vrees alles van mijn zwakheid en hoop alles op Uw barmhartigheid.

Moge heel het mensdom de ondoorgrondelijke diepte van Uw barmhartigheid erkennen, al hun hoop daarop plaatsen en haar voor altijd loven. Amen.

Jezus, ik vertrouw op U, want Gij zijt mijn vertrouwen!

Kruisweg over het Innerlijke Leven

(Zie God, die rijk is aan barmhartigheid)

„De meeste genaden schenk Ik aan zielen die Mijn lijden vroom overwegen.” [737]

Openingsgebed

Barmhartige Heer, mijn Meester, ik wil U trouw volgen; ik wil U in mijn leven op steeds volmaakter wijze navolgen. Daarom vraag ik U: schenk mij door de overweging van Uw lijden de genade, de geheimen van het geestelijk leven steeds beter te verstaan.

Maria, Moeder van Barmhartigheid, leid mij op de wegen van het bittere lijden van Uw Zoon en verkrijg mij de nodige genaden om deze Kruisweg vruchtbaar te bidden. Ik offer hem in het bijzonder op voor de heiliging van priesters en religieuzen en voor allen die naar ware innerlijkheid en volmaaktheid streven.

Gebed vóór elke statie

Wij aanbidden U, o Heer Jezus Christus, en loven U.
Want door Uw heilig Kruis hebt Gij de wereld verlost.

I. Statie

Jezus wordt ter dood veroordeeld

De hogepriester en het hele Sanhedrin zochten naar een schijngetuigenis tegen Jezus om hem ter dood te brengen.
(Mt 26,59-60)

Jezus:

„Verwonder u niet, dat gij soms onschuldig aan verdenking wordt blootgesteld. Uit liefde voor u heb Ik eerst de kelk van onschuldig lijden gedronken.” [289]
„Toen Ik voor Herodes stond, heb Ik voor u de genade afgesmeekt u te verheffen boven de minachting der mensen en Mijn wegen trouw te volgen.” [1164]

Zuster Faustina:

„Wij zijn gewend op woorden te reageren en menen altijd meteen te moeten antwoorden, zonder erop te letten of het Gods wil is dat wij spreken. Een zwijgende ziel is sterk; alle tegenspoed schaadt haar niet, wanneer zij in het zwijgen volhardt. Een zwijgende ziel is in staat zich op het innigst met God te verenigen.” [477]

Barmhartige Jezus, help mij elk menselijk oordeel te kunnen aanvaarden, en laat niet toe dat ik U ooit in mijn naaste veroordeel.

II. Statie

Jezus neemt Zijn Kruis op Zich

„Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota.”
(Joh 19,17)

Jezus:

„Vrees het lijden niet, Ik ben bij u.” [151]
„Hoe meer gij het lijden leert liefhebben, des te zuiverder zal uw liefde tot Mij zijn.” [279]

Zuster Faustina:

„Jezus, ik dank U voor de dagelijkse kleine kruisen, voor de hindernissen in mijn voornemen, voor de last van het gemeenschapsleven, voor de verkeerde uitleg van bedoelingen, voor vernederingen door anderen, voor harde omgang met ons, voor grondeloze beschuldigingen, voor zwakke gezondheid en uitputting, voor het verzaken van mijn eigen wil, voor het uitwissen van mijn eigen ik, voor het gebrek aan erkenning in alles, voor het doorkruisen van alle plannen.” [343]

Barmhartige Jezus, leer mij de last van het leven, de ziekte en elk lijden te waarderen, en dit dagelijkse kruis met liefde te dragen.

III. Statie

Jezus valt voor de eerste maal onder het Kruis

„Hij werd gestraft; ons bracht het vrede, en dank zij zijn striemen is er voor ons genezing.”
(Jes 53,5)

Jezus:

„Onwillekeurige fouten van zielen houden Mij niet tegen in Mijn liefde tot hen (…) en beletten Mij niet Mij met hen te verenigen; maar zelfs de kleinste fouten, vrijwillig begaan, houden Mijn genaden tegen; zulke zielen kan Ik niet met Mijn gaven overladen.” [1641]

Zuster Faustina:

„O mijn Jezus, hoezeer ben ik tot het kwade geneigd. Dat dwingt mij tot voortdurende waakzaamheid over mijzelf. Maar ik laat mij door niets afschrikken. Ik vertrouw op de genade van God, die in de grootste ellende overvloedig aanwezig is.” [606]

Barmhartige Heer, bewaar mij voor iedere, zelfs de allerkleinste, maar vrijwillig begane en bewuste ontrouw.

IV. Statie

Jezus ontmoet Zijn Moeder

„En uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.”
(Lk 2,35)

Jezus:

„Hoewel alle werken die uit Mijn wil ontstaan aan grote lijden blootstaan, bedenk dan of één ervan aan groter lijden blootstond dan Mijn eigen werk, het werk der verlossing. Gij behoeft u over tegenspoed niet al te zeer te bedroeven.” [1643]

Zuster Faustina:

„Ik hoorde de stem van de Allerheiligste Moeder: ‘Weet, mijn dochter, hoewel ik tot de waardigheid van Moeder Gods verheven werd, hebben zeven zwaarden van smart mijn hart doorstoken. Onderneem niets tot uw verdediging, verdraag alles in nederigheid; God zelf zal u verdedigen.’” [786]

Maria, Moeder van Smarten, wees altijd bij mij, vooral in het lijden, zoals Gij aanwezig waart bij de Kruisweg van Uw Zoon.

V. Statie

Simon van Cyrene helpt Jezus het Kruis dragen

„Toen zij Hem wegvoerden, hielden zij een zekere Simon aan, een man uit Cyrene (…) hem belaadden ze met het kruis om achter Jezus aan te dragen.”
(Lk 23,26)

Jezus:

„De moeilijkheden laat Ik toe om uw verdiensten te vermeerderen. Niet de goede afloop beloon Ik, maar het geduld en de moeite die omwille van Mij werden opgebracht.” [86]

Zuster Faustina:

„O mijn Jezus, Gij beloont niet de goede afloop van een daad, maar de oprechte wil en de moeite. Daarom ben ik volkomen rustig, ook wanneer al mijn inspanningen vergeefs blijven of nooit verwezenlijkt worden. Wanneer ik alles doe wat in mijn macht ligt, behoort de rest mij niet meer toe.” [952]

Jezus, mijn Heer, moge elke gedachte, elk woord en elke daad alleen uit liefde voor U geschieden. Zuiver mijn intenties.

VI. Statie

Veronica reikt Jezus de doek aan

„Er was een tijd dat velen ontzet over u stonden – zijn verschijning was onmenselijk geschonden, en zijn uiterlijk had niets meer van een mensenkind.”
(Jes 52,14)

Jezus:

„Weet dat wanneer gij iets goeds doet voor een ziel, Ik het aanneem alsof gij het voor Mijzelf had gedaan.” [1768]

Zuster Faustina:

„Van Jezus leer ik goed te zijn, van Hem die de Goedheid zelf is, opdat men mij dochter van de Hemelse Vader noeme.” [669]
„Grote liefde kan kleine dingen in grote veranderen, en alleen de liefde geeft waarde aan onze daden.” [303]

Heer Jezus, mijn Meester, bewerk dat mijn ogen, mijn handen, mijn mond en mijn hart barmhartig zijn. Verander mij in barmhartigheid.

VII. Statie

Jezus valt voor de tweede maal onder het Kruis

„Waarlijk, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten, die hij heeft gedragen.”
(Jes 53,4)

Jezus:

„De oorzaak van uw nederlagen is dat gij te veel op uzelf vertrouwt en te weinig op Mij.” [1488]
„Weet dat gij uit uzelf niets kunt.” [639]
„Zonder Mijn bijzondere hulp zijt gij zelfs niet in staat Mijn genaden te ontvangen.” [738]

Zuster Faustina:

„Jezus, laat mij niet alleen. (…) Gij, Heer, weet hoe zwak ik ben. Ik ben de afgrond van ellende, ik ben pure nietigheid; is het dan verwonderlijk dat, wanneer Gij mij alleen laat, ik val.” [1489]
„Dus moet Gij, Jezus, voortdurend bij mij zijn, als een moeder bij haar zwak kind, ja nog meer.” [264]

Moge Uw genade mij bijstaan, Heer, opdat ik niet voortdurend in dezelfde fouten val. En wanneer ik val, help mij op te staan en Uw barmhartigheid te loven.

VIII. Statie

Jezus vermaant de vrouwen van Jeruzalem

„Een grote volksmenigte volgde Hem, ook vrouwen die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden.”
(Lk 23,27)

Jezus:

„O, hoe dierbaar is Mij een levend geloof.” [1421]
„Ik wens dat er in de tegenwoordige tijd meer geloof onder u zou zijn.” [353]

Zuster Faustina:

„Ik vraag U dringend, Heer, mijn geloof te versterken, opdat ik in de grijze dagelijkse routine niet geleid word door menselijke stemmingen, maar door de Geest. O, hoe alles de mens naar de aarde trekt, maar een levend geloof houdt de ziel in hogere sferen en wijst de eigenliefde haar juiste plaats toe, namelijk de allerlaatste.” [210]

Barmhartige Heer, ik dank U voor het heilig Doopsel en voor de genade van het geloof. Steeds weer roep ik: Heer, ik geloof, vermeerder mijn geloof!

IX. Statie

Jezus valt voor de derde maal onder het Kruis

„Hij werd gefolterd en diep vernederd, maar heeft zijn mond niet geopend.”
(Jes 53,7)

Jezus:

„Weet dat de grootste hinderpaal voor heiligheid lusteloosheid en ongegronde angst is. Zij ontnemen u de mogelijkheid de deugd te beoefenen. (…) Ik ben altijd bereid u te vergeven. Telkens wanneer gij Mij daarom vraagt, verheerlijkt gij Mijn barmhartigheid.” [1488]

Zuster Faustina:

„Mijn Jezus, ondanks Uw genaden voel en zie ik heel mijn ellende. Ik begin en eindig de dag in de strijd. Nauwelijks heb ik een moeilijkheid overwonnen of er rijzen tien nieuwe op die moeten worden bestreden. Maar ik bedroef mij niet, want ik weet dat nu de tijd van strijd is en niet van rust.” [606]

Barmhartige Heer, ik geef U wat mijn enige eigendom is, namelijk zonde en menselijke zwakheid. Ik smeek U dat mijn ellende moge worden ondergedompeld in Uw onuitputtelijke barmhartigheid.

X. Statie

Jezus wordt van Zijn kleren beroofd

„Aldus moest de Schrift vervuld worden: ‚Zij verdeelden mijn kleren onder elkaar en dobbelden om mijn gewaad.’”
(Joh 19,24)

Zuster Faustina:

„Plotseling stond Jezus voor mij, van Zijn klederen beroofd, geheel bedekt met wonden; Zijn ogen vol bloed en tranen; heel Zijn gelaat verminkt en met speeksel besmeurd. Toen sprak Jezus tot mij:”

Jezus:

„De bruid moet gelijkvormig zijn aan de Bruidegom.”

Zuster Faustina:

„Ik begreep deze woorden diep. Hier is geen plaats voor twijfel. Mijn gelijkenis met Jezus moet door lijden en nederigheid tot stand komen.” [268]

Jezus, Gij die stil en rein van hart zijt, vorm mijn hart volgens Uw Hart.

XI. Statie

Jezus wordt aan het Kruis genageld

„Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota, wat vertaald wordt met Schedelplaats. Het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden.”
(Mk 15,22.25)

Jezus:

„Mijn leerling, koester grote liefde voor hen die u lijden berokkenen; doe goed aan hen die u haten.” [1628]

Zuster Faustina:

„O mijn Jezus, Gij weet hoeveel inspanning het kost eerlijk en oprecht te zijn tegenover hen voor wie onze natuur terugschrikt, of tegenover hen die ons bewust of onbewust onrecht hebben gedaan; menselijkerwijs is het onmogelijk. In zulke momenten probeer ik meer dan ooit Jezus in de betrokken persoon te ontdekken en omwille van deze Jezus doe ik alles voor die persoon.” [vgl. 766]

O reinste liefde, heers over mijn hart in volle mate en help mij te beminnen wat elke menselijke maat overtreft. [vgl. 328]

XII. Statie

Jezus sterft aan het Kruis

„Toen riep Jezus met luider stem: ‚Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest.”
(Lk 23,46)

Jezus:

„Dit alles voor de verlossing der zielen. Overweeg wat gij doet voor hun heil.” [1184]

Zuster Faustina:

„Ik zag hele menigten van gekruisigde zielen, juist zoals Jezus. Ik zag een tweede en een derde menigte. De tweede menigte was niet aan het kruis genageld, maar de zielen hielden het kruis stevig in hun handen. De derde menigte was noch gekruisigd, noch hield zij het kruis vast, maar zij sleepten het achter zich aan en waren ontevreden.”

Jezus:

„Ziet gij de zielen die Mij gelijken in lijden en verachting, zij zullen Mij ook gelijken in heerlijkheid; zij echter die Mij minder gelijken in lijden en verachting, zullen Mij ook minder gelijken in heerlijkheid.” [446]

Jezus, mijn Verlosser, verberg mij in de diepten van Uw Hart, opdat, gesterkt door Uw genade, ik U gelijk moge worden in liefde tot het Kruis en deel heb aan Uw heerlijkheid.

XIII. Statie

Jezus wordt van het Kruis genomen en in de armen van Zijn Moeder gelegd

„Daarna vroeg Jozef van Arimatea (…) aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen. Toen Pilatus dit had toegestaan, ging hij dus heen en nam het lichaam weg.”
(Joh 19,38)

Jezus:

„Een ziel die vast op Mijn goedheid vertrouwt, is Mij het dierbaarst. Ik schenk haar Mijn vertrouwen en geef haar alles wat zij vraagt.” [453]

Zuster Faustina:

„Ik neem mijn toevlucht tot Uw barmhartigheid, goede God, want Gij alleen zijt goed. Al is mijn ellende groot en zijn mijn schuld talrijk, toch vertrouw ik op Uw barmhartigheid; want Gij zijt de God van barmhartigheid, van wie men sinds eeuwen niet gehoord heeft dat hemel en aarde zich herinneren dat een ziel teleurgesteld werd die op Uw barmhartigheid vertrouwde.” [1730]

Maria, Moeder van Barmhartigheid, leid mij op het pad van het innerlijke leven. Leer mij te lijden en te beminnen in het lijden.

XIV. Statie

Jezus wordt in het graf gelegd

„Jozef nam het lichaam, wikkelde het in een smetteloze lijkwade en legde het in zijn graf dat hij pas in de rots had laten uithouwen.”
(Mt 27,59-60)

Jezus:

„Gij zijt nog niet in het huis des Vaders. Ga dan, gesterkt door Mijn genade, en strijd voor Mijn Koninkrijk in de zielen der mensen. Strijd als een koningskind en bedenk dat de dagen van ballingschap snel voorbijgaan en met hen de mogelijkheid om verdiensten voor de hemel te verzamelen. Ik verwacht van u (…) een groot aantal zielen die Mijn barmhartigheid in eeuwigheid zullen loven.” [1489]

Zuster Faustina:

„Elke ziel die Gij, Jezus, mij hebt toevertrouwd, zal ik door gebed en offer steunen, opdat Uw genade in haar werkzaam worde. O grote Vriend der zielen, mijn Jezus, ik dank U voor Uw grote vertrouwen, dat Gij zo genadig de zielen onder onze hoede hebt geplaatst.” [245]

Breng het tot stand, barmhartige Heer, dat niet één van de zielen die Gij mij hebt toevertrouwd verloren gaat.


Gebed na de Kruisweg

Mijn Jezus, mijn enige hoop, ik dank U voor het boek dat Gij voor de ogen van mijn ziel hebt geopend. Dat boek is Uw lijden, dat Gij uit liefde voor mij op U hebt genomen. Uit dit boek heb ik geleerd God en zielen te beminnen. Het bevat onuitputtelijke schatten voor ons.

O Jezus, hoe weinig zielen verstaan U in Uw lijden uit liefde! (…) Gelukkig de ziel die de liefde van het Hart van Jezus heeft begrepen. [304]

Biografie van de H. Zuster Faustina (1905-1938)

„Om één enkele ziel voor eeuwig te redden is het waard een heel leven op te offeren.” [1435]

Helena Kowalska, zoals Zuster Faustina heette vóór haar intrede in het religieuze leven, werd op 25 augustus 1905 geboren in het Poolse dorp Głogowiec als derde van tien kinderen van een arm boerengezin. Vroeg ontwaakte in Helena het verlangen het klooster in te gaan. Haar vader verzette zich echter, omdat hij zich niet in staat voelde de bruidsschat te verschaffen die voor intrede vereist was. Zo probeerde Helena haar roeping te onderdrukken door zich aan wereldse dingen te wijden.

Een diepgaande ervaring op een bal wekte in haar het eerste verlangen opnieuw: terwijl zij danste, zag zij plotseling de gemartelde Jezus, geheel met wonden bedekt, naast haar, die tot haar sprak:

„Hoe lang zal Ik u nog verdragen, en hoe lang zult gij Mij nog uitstellen?” [9]

Dit treffen met Jezus betekende het keerpunt in haar roepingsgeschiedenis. Diep in de ziel geraakt, ging zij onmiddellijk naar een kerk en wierp zich voor het tabernakel neer. In deze houding smeekte zij God haar bekend te maken wat zij nu moest doen. Toen hoorde zij in haar hart de woorden:

„Ga onmiddellijk naar Warschau, daar zult gij het klooster binnengaan!” [10]

Haar vorige leven achter zich latend, ging zij zonder aarzeling naar Warschau en trachtte daar een klooster te vinden. Overal werd zij afgewezen, tot zij uiteindelijk werd aangenomen bij de Congregatie van de Zusters van de Moeder Gods van de Barmhartigheid. Daar trad zij op 1 augustus 1925 in.

God koos deze eenvoudige religieuze zuster om de in de Heilige Schrift geopenbaarde waarheid over Zijn barmhartige liefde voor alle mensen dichter bij de mensheid te brengen en te verkondigen. Haar opdracht omvatte ook het afsmeken van Gods barmhartigheid voor de hele wereld door passende vormen van verering, om zo een beweging tot vernieuwing van het religieuze leven in de geest van christelijk vertrouwen en barmhartigheid te bevorderen.

Trouw aan de vervulling van haar opdracht stierf zij reeds op 33-jarige leeftijd op 5 oktober 1938 in het klooster te Kraków-Łagiewniki aan tuberculose.

Op 18 april 1993 werd Zuster Faustina door paus Johannes Paulus II zalig verklaard. Met haar heiligverklaring op 30 april 2000 stelde hij ook officieel het „Feest van de Goddelijke Barmhartigheid” in voor de hele Kerk en bepaalde de viering op de eerste zondag na Pasen (Witte Zondag).

„Kijk in Mijn barmhartige Hart en weerspiegel Zijn barmhartigheid in uw eigen hart en in uw daden.”
– Jezus tot de H. Zuster Faustina


„Wij zijn het meest gelijk aan God wanneer wij onze naaste vergeving schenken.”
– H. Zuster Faustina