Deze pagina is automatisch vertaald uit het Duits. Bekijk Duits origineel →
Komt naar de bruiloft!

Komt naar de bruiloft!

Zalig zijn die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. (Openb 19,9)

Het Rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen die hij tot de bruiloft had uitgenodigd, maar zij wilden niet komen. Daarop zond hij andere dienaars met de opdracht: Zegt aan de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd klaar, mijn ossen en het gemeste vee zijn geslacht; alles staat gereed. Komt dus naar de bruiloft. Maar zonder er zich om te bekommeren, gingen zij weg, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden hen. Nu ontstak de koning in toorn, stuurde zijn troepen en liet de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. Toen sprak hij tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal staat klaar, maar de genodigden waren het niet waard. Gaat dus naar de drukke verkeerswegen en nodigt wie ge er maar vindt tot de bruiloft. Zijn dienaars gingen naar de wegen en brachten allen mee die zij er aantroffen, slechten zowel als goeden, en de bruiloftszaal liep vol met gasten. Toen de koning binnenkwam om de aanliggenden te bezoeken, merkte hij daar iemand op die niet voor een bruiloft gekleed was. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Maar de man bleef het antwoord schuldig. Toen sprak de koning tot de bedienden: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem buiten in de duisternis. Daar zal geween zijn en tandengeknars. Velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren. Mt 22,1-14

Deze brochure van de Mariaanse Priester- en Lekenbeweging stelt de Heilige Kerk voor als Bruid van Christus: de gelijkenis van Jezus over het koninklijke bruiloftsmaal, het mysterie van de drievoudige heilige Kerk, het bruidelijke leven van talrijke heiligen en de Heilige Mis als zon en bruiloftsmaal van ons leven, met getuigenissen van de genade en van de vervolging van de Kerk in onze tijd.

Voorwoord

God heeft voor de mensen slechts één enkele weg naar de eeuwige zaligheid bedacht, en dat is de weg die Jezus Christus, de mensgeworden Zoon van God, zelf is. Hij zei: Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij. Ik ben de weg. (Joh 14,6) Jezus heeft ons deze weg gebaand door de liefdevolle overgave van Zijn leven aan het kruis als uitdrukking van hoogste liefde en verheerlijking van de Vader (vgl. Joh 17,1-5), en als zoenoffer van liefelijkste reuk voor de verlossing van de mensen (vgl. Ef 5,2). Als enige en Eeuwige Hogepriester van de mensheid heeft Christus het offer van Zijn liefdesovergave op het altaar van het kruis in het geheim van de Eucharistie werkelijk en wezenlijk aan Zijn Kerk nagelaten. Daarbij heeft Christus de vergegenwoordiging van Zijn kruisoffer onlosmakelijk verbonden met Zijn bruiloftsmaal. Dit bruiloftsmaal viert Hij in de uitreiking van Zijn vlees en bloed aan Zijn bruid, de Kerk, en aan iedere gelovige en liefhebbende ziel. De grootste liefdesdaad in de hele geschiedenis van de schepping en van de mensheid is de priesterlijke overgave van Jezus Christus aan het kruis. Zij wordt hier op aarde in het sacrament van de Eucharistie gevierd tot Zijn wederkomst.

Zalig zijn die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. (Openb 19,9) Deze woorden openbaren de diepste zin van het doel waarvoor God de mensen heeft geschapen. Hij heeft hen geschapen om hen deel te laten hebben aan Zijn eigen goddelijk leven, en dit leven is het bovennatuurlijke, eeuwige leven. Het deelhebben aan het goddelijke leven betekent hoogste gelukzaligheid en vreugde; daarvoor staat het beeld van het bruiloftsmaal. Het is de zalige aanschouwing van het onuitsprekelijke en onbevattelijke wezen van God zelf. Het eeuwige leven is een leven van innigste eenheid van het schepsel met zijn Schepper. God is liefde (1 Joh 4,8), en daarom kan men alleen liefdevol één zijn met Hem. De eeuwige gelukzaligheid in de hemel is de hoogst mogelijke vervulling van het eerste en belangrijkste gebod, namelijk God lief te hebben met heel het hart, met heel de ziel, met heel het verstand en met alle kracht. (vgl. Deut 6,4-5; Mk 12,30)

Deze liefdesdaad is zo overweldigend dat ze voor de hele eeuwigheid als herinnering en als hemelse liturgie zal blijven bestaan, zoals de Geheime Openbaring ons dat verkondigt in het beeld van het bruiloftsmaal van het Lam. Daarom blijft Christus ook in de hemel voor alle eeuwigheid Hogepriester. (vgl. Hebr 7,24)

Jezus Christus, de Eeuwige Hogepriester, is de enige weg naar de eeuwige gelukzaligheid. Maar Hij heeft deze weg onlosmakelijk verbonden met de waarheid, want Hij zelf is de waarheid. (vgl. Joh 14,6) Voor het getuigenis (in het Grieks „martyrein”) van de waarheid is Hij in de wereld gekomen (vgl. Joh 18,37), en Hij is in persoon de Getuige (in het Grieks „martys”), de Trouwe („fidelis”) en de Ware („verus”). (vgl. Openb 3,14) Daaruit volgt dat de weg naar de eeuwige gelukzaligheid, naar het bruiloftsmaal van het Lam, een weg is van onvoorwaardelijk geloof en vasthouden aan de waarheid, tot aan het martelaarschap toe. Zonder het geloof, dat wil zeggen het trouwe vasthouden aan de door God geopenbaarde waarheden, is het onmogelijk God te behagen (vgl. Hebr 11,6), dat wil zeggen onmogelijk de hemel binnen te gaan.

Niets is de zin van Jezus Christus en het Evangelie vreemder dan het christendom en de weg naar de hemel op te vatten of te leven als een sentimentele wandeling, naar individuele voorkeur ingericht, of als een overdadig à-la-carte-menu. Zo’n christendom zou zonder kruis zijn, zonder offer, zonder gehoorzaamheid aan de duidelijke wil van God, zonder zelfverloochening. Het zou dus een christendom zijn zonder ware bovennatuurlijke liefde, en daarom zonder ware vreugde, zonder een waar bruiloftsmaal van het Lam, omdat het Lam wezenlijk een onschuldig geofferd wezen is. Zo’n christendom zou een illusie zijn. Het zou een christendom van het „ego” zijn, en daarom de grootste tegenstelling tot Christus zelf en tot het ware christendom, dus zijn lelijkste karikatuur.

De Kerk was zich sinds haar begin bewust van het gevaar dat een zo illusoir en karikaturaal christendom zonder kruis en zonder waarheid, en dus ook zonder liefde, betekent. Daarom hebben de eerste christenen en sindsdien alle generaties van de ware katholieke gelovigen de woorden van de apostel Judas (Thaddeüs) altijd ter harte genomen: Strijdt voor het geloof dat eens voor al aan de heiligen werd overgeleverd. Herinnert u wat door de apostelen van onze Heer Jezus Christus voorspeld is. Zij hebben u gezegd: op het einde van de tijd zullen er spotters zijn, die leven naar hun eigen goddeloze begeerten. Dat zijn de mensen die scheuring veroorzaken, profanen, die de Geest niet bezitten. Maar gij, dierbare vrienden, bouwt uw leven op uw hoogheilig geloof, bidt in de kracht van de heilige Geest, bewaart uzelf in Gods liefde, in afwachting van de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken. Hebt medelijden met sommigen die twijfelen en tracht ze te redden door hen aan het vuur te ontrukken. (Jud 3,17-23)

De grootste en werkzaamste hulp op de lange, moeizame en gevaarlijke weg naar de eeuwige gelukzaligheid is Jezus Christus zelf, en wel met de gave van het heilige Misoffer, de werkelijke tegenwoordigheid van Zijn kruisoffer en de spijs van Zijn Lichaam en Bloed. Dat is de grootste schat, de ware geestelijke zon van de Kerk. Ja, dat is hier in het tranendal al een vooruitneming van het bruiloftsmaal van het Lam in het eeuwige leven.

Het heilige Misoffer en de heilige Communie zijn ook de meest werkzame middelen opdat de ziel groeit in de ware eeuwige liefde tot God, in de bruidelijke liefde tot Hem. En dat betekent op zijn beurt niets anders dan heiligheid van het leven.

God heeft gewild dat alleen de priesters het kruisoffer met de wezensverandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus sacramenteel kunnen voltrekken. Zonder priesters is er geen Misoffer en geen heilige Communie, en dan dooft de ware geestelijke zon in het leven van de Kerk. Toch hebben we niet alleen priesters nodig, maar vooral heilige priesters. Christus, de kuise, waarachtige en barmhartige Eeuwige Hogepriester, wil ook in onze zo duistere en verwarde tijd in Zijn priesters weer door onze straten gaan, de waarheid leren aan dwalenden en twijfelenden, de lijdenden troosten, de vergeving der zonden schenken aan berouwvolle zondaars en vooral het Misoffer opdragen. Daarom moeten de priesters, Zijn menselijke werktuigen, ook kuis, offerbereid en nederig zijn en steeds voor de waarheid getuigenis afleggen, tot aan het martelaarschap toe.

De herinnering aan de waarheid van de roeping van alle christenen tot heiligheid, en in de eerste plaats van de priesters, aan de centrale betekenis van de Heilige Eucharistie in het leven van de Kerk, door een steeds diepere gelovige doordringing van de waarheid en van de goddelijke Majesteit, en door het waardig en plechtig gevierde heilige Misoffer met de vruchtbare en eerbiedige ontvangst van de heilige Communie, met een zuiver, gelovig en nederig hart: daarin had toch de eigenlijke betekenis en het doel van het Tweede Vaticaans Concilie moeten bestaan, overeenkomstig de bedoeling van de meeste concilievaders.

Alleen de ware vernieuwing uit het geheim van de Eucharistie, overeenkomstig de voortdurende zin van de Kerk en van alle heiligen, zal in de Kerk van onze dagen heiligen voortbrengen: heilige kinderen, heilige jongeren, heilige gezinnen, heilige aan God gewijde bruiden van Christus, heilige religieuzen en vooral heilige priesters. Pas dan wordt de Kerk een ware geestelijke lente geschonken. Op deze lente hopen wij vast, en zij is ook in onze dagen al aanwezig, beginnend eerst in de zielen die Christus innig bruidelijk liefhebben en die de Eucharistische Christus tot het middelpunt van hun leven hebben gemaakt.

Het voorliggende boekje „Komt naar de bruiloft!” zal ongetwijfeld een concrete geestelijke hulp zijn bij de zo verlangde ware eucharistische vernieuwing van de Kerk en vele zielen licht, troost en aansporing geven tot God- en naastenliefde en tot heiligheid.

God zegene de verspreiding van dit kleine, kostbare boekje met vele geestelijke vruchten!

Mogen wij, verenigd met de lieve Moeder Gods Maria, de eerste tabernakel van de mensgeworden Heiland, vaak de volgende woorden van een oud, bekend communielied herhalen, die in ons het geloof en de bovennatuurlijke liefde tot onze Eucharistische Heer mogen vermeerderen:

Jezus, Jezus, kom tot mij, o, hoe verlang ik naar U!
Mijn zielsvriend, wanneer word ik met U verenigd!
Duizendmaal verlang ik naar U, een leven zonder U is pijn.
Duizendmaal zucht ik tot U: o Heer Jezus, kom tot mij!
Geen genot in de wereld kan mijn hart tevredenstellen.
Uw liefde alleen, Heer, kan mijn hele hart verblijden!
Ik ben, o Heer, wel niet zuiver genoeg, dat U bij mij intreedt;
maar één woord uit Uw mond en de ziel wordt gezond.
Innig verlang ik naar U: Jezus, Jezus, kom tot mij!
Neem mijn hele hart voor U en bezit het eeuwig. Amen.

Gods rijke zegen voor de samenstellers, verspreiders en lezers van dit boekje!

29 juni 2019, op het hoogfeest van de apostelvorsten Petrus en Paulus

+ Athanasius Schneider, hulpbisschop van het aartsbisdom van de Heilige Maria in Astana (Nur-Sultan)

De aanbidding van het Lam (Gents altaarstuk, Jan van Eyck)

De aanbidding van het Lam (Gents altaarstuk, Jan van Eyck)

Het mysterie van de drievoudige heilige Kerk

De drievoudige heilige Kerk bestaat uit de strijdende, lijdende en triomferende Kerk. De christenen op aarde zijn de strijdende Kerk, de zielen in het vagevuur de lijdende en de zaligen in de hemel de triomferende. Alle drie samen vormen zij door hun innige verbondenheid met Christus het Godsrijk. In het Credo noemen wij deze gemeenschap „gemeenschap der heiligen”, omdat allen door de heiligmakende genade met Christus, hun Bruidegom, verbonden moeten zijn.1

De gemeenschap der heiligen op aarde laat ons deel hebben aan alle genadeschatten van de Kerk. De vereniging met de heiligen in de hemel brengt ons deel aan hun verdiensten en hulp door hun voorbede bij God. De gemeenschap met het vagevuur is voor ons en voor de arme zielen, die zo overgroot lijden, een grote hulp. Door heilige Missen, aflaten, gebeden en goede werken die wij voor hen opdragen, kunnen wij hun pijnen verkorten, en zij tonen op hun beurt hun grote dankbaarheid, doordat zij de hemel bestormen in al onze noden.2

1 Dat Christus de Bruidegom van de Kerk is, werd door de profeten aangeduid, en Johannes de Doper verkondigde het. De Heer zelf heeft Zich „de Bruidegom” genoemd. (Mk 2,19) Tegelijk is Hij ook, zoals de apostel Paulus benadrukt, het hoofd van het lichaam dat de kerk is, die Hij heeft liefgehad en voor wie Hij Zich heeft overgeleverd. (Kol 1,18; Ef 5,25) Evenzo stelt de apostel de Kerk en iedere gelovige die lid is van het lichaam van Christus voor als een bruid die hij Christus de Heer „verloofd” heeft, opdat zij één geest zij met Hem. (vgl. 1 Kor 6,15-17; 2 Kor 11,2) (vgl. CKK 796)

2 De arme zielen behoren tot de diepste kenners van aardse nood en menselijk bestaan. Omdat zij in een voor ons nog ontoegankelijke ervaring van God leven, zijn zij door liefdeskracht voor ons vervuld, en zijn zij voor de mensen de trouwste vrienden, die hun door gebed en offer de weg naar de aanschouwing van God verkorten. (H. John Fisher)

Laat ons blij zijn en juichen en Hem de eer geven.
Want de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam en zijn bruid heeft zich al klaargemaakt.
Voor haar bruidskleed kreeg zij smetteloos, blinkend lijnwaad.
Lijnwaad is zinnebeeld van de goede daden van de heiligen.
Iemand zei tot mij: „Schrijf op: zalig zijn die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam.”3 Openb 19,7-9

3 Wij kunnen ons heil niet anders verwerven dan in het mystieke lichaam van de Kerk, waarvan Christus het Hoofd is en waarvan wij de leden zijn. […] Er is geen andere weg en geen andere poort voor ons. (H. Catharina van Siena)

Maria, Moeder van de Kerk

Maria, Moeder van de Kerk⁴

Bruidelijk verlangen

De hele Heilige Schrift is doordrongen van de hartslag van de verlangende liefde van God, die steeds aanklopt bij de vaak zo verharde en gesloten harten van de mensenkinderen, om hen vol erbarmen tot Zich te trekken. Deze bruidelijke liefde openbaart zich bijzonder indrukwekkend in het beeld van de bruiloft, die God reeds in het Oude Testament voorbereidde en die door Jezus Christus, die als Messias en Bruidegom in deze wereld is gekomen, in een wonderbare ruil van liefde plechtig is voltrokken.

Ik neem u als mijn bruid, voor altijd, als mijn bruid, in recht en gerechtigheid, in goedheid en erbarming, als mijn bruid, in onverbrekelijke trouw: dan zult gij Jahwe leren kennen. Hos 2,21-22

Bruiloft is het diepste geheim van de hele zichtbare en onzichtbare schepping, en dus ook het diepste geheim van de Kerk, die haar Bruidegom op de pelgrimstocht van deze tijd met bruidelijk verlangen tegemoetgaat.

Pijnlijk bewogen door de zware benauwingen die onze Moeder de Kerk van binnen en van buiten bedreigen en diep verwonden, willen wij met deze kleine brochure vuurvonken van het verlangen naar de hemelse bruiloft in vele mensenharten werpen, opdat hun liefde tot Christus in het geheim van Zijn mystieke lichaam opnieuw wordt aangewakkerd en zij met brandende lampen de Bruidegom en de Bruid tegemoetgaan. (vgl. Mt 25,1-13)

Een ontelbare schare heiligen is op deze weg naar de hemelse bruiloft reeds tot volmaaktheid gekomen en bidt nu voor ons aan de troon van God, dat ook wij eens in deze grote feestzaal van de eeuwige vreugde van de hemel mogen komen.

Wanneer wij een blik werpen in het leven van de heiligen, worden wij opgenomen in een atmosfeer van goddelijke genade, die als het ware uit hun ogen straalt. Zij hebben zich door het bruidelijke geheim van Gods liefde volledig laten veranderen en zijn ondergedompeld in een zodanige gelukzaligheid, waarvan de aardsgezinde wereld niet eens iets vermoedt.

In de volgende hoofdstukken nemen enkele van deze stralende vuurzuilen van de Kerk ons mee op de weg naar God, voor wiens eer en het heil der zielen zij zich volledig hebben verteerd.

Kom! Ik zal u de bruid tonen! Openb 21,9
Maria, Moeder van de Kerk, wij zijn de Uwe voor tijd en eeuwigheid.
Door U en met U willen wij nu en voor altijd geheel aan Jezus toebehoren. Amen.

4 Maria als Moeder en Beschermvrouwe van de Kerk en van de Heiligste Eucharistie, en tevens als Koningin van de engelen. Omringd door de zeven aartsengelen staat Maria in het schip van de Kerk, verenigd met alle gelovigen in de strijd om de redding van de zielen uit de greep van de boze vijand. De heilige engelen en de heiligen van de hemel vormen samen met de trouwe gelovigen van de Kerk het Rijk van Maria ter voorbereiding op de overwinning van Christus in de eindtijd op aarde. (Olieverfschilderij van Roswitha Bitterlich)

Franciscus bidt voor het kruis in San Damiano

Franciscus bidt voor het kruis in San Damiano.

De heilige Franciscus en de gewonde bruid

Toen de heilige Franciscus van Assisi (1181/82 – 1226) op een dag, door de Geest geleid, het kerkje van San Damiano binnentrad om te bidden, werd hij getroffen door ongewone bezoekingen van de Geest, en onmiddellijk sprak het beeld van de gekruisigde Christus tot hem, waarbij zich de lippen op het beeld bewogen. Het riep hem bij zijn naam en sprak: Franciscus, ga heen en herstel Mijn huis, dat, zoals u ziet, helemaal vervallen is! […] Vanaf dat uur, toen de Geliefde met hem had gesproken, doorboorde het medelijden met de Gekruisigde zijn heilige ziel. […] Daarom kon hij vanaf dat uur het wenen niet meer bedwingen. […] Met zijn snikken vulde hij de wegen, geen troost liet hij opkomen wanneer hij aan de martelingen van Christus dacht. (2 C 10-11)

De zending die Franciscus van het kruis ontving: Zie, Mijn huis vervalt, ga, bouw het weer op!, is een goddelijk openbaringswoord, waarin het hele geheim van de heilige Franciscus besloten ligt. Dit geheim ontvangt hij in San Damiano nog gesloten, als de knop van een kostbare bloem. In het kerkje van de Portiuncula zal zich de bloem voor hem openen.

Het kerkje van de Portiuncula in de basiliek Santa Maria degli Angeli in Assisi

Het kerkje van de Portiuncula in Assisi

Franciscus en de armoede

In het kerkje van de Portiuncula5 werd in het jaar 1209 het evangelie voorgelezen, waarin de Heer Zijn discipelen in volstrekte armoede uitzond om te prediken. (vgl. Mt 10,5-16) Toen juichte de heilige Franciscus meteen in de Geest van God en sprak: Dat is wat ik wil, dat is wat ik zoek, dat verlang ik uit het diepst van mijn hart te doen. (1 C 22)

De zending die in San Damiano tot in zijn levensgrond was ingeplant, opent zich hem hier in de Portiuncula in het helderste licht: hij moet niet alleen huizen van steen bouwen; de levende Kerk van Jezus moet hij terugleiden tot de zuiverheid en kracht waarin de apostelen haar hebben gesticht. Daarom moet hij zelf leven zoals de apostelen. Wat hij altijd al uit het diepst van zijn hart zocht, krijgt nu de gestalte van de beloofde bruid. Hij heeft haar gevonden, edeler, rijker en mooier dan ooit iemand van jullie haar heeft gezien. (3 Gef 7) Jezus vertrouwt hem Zijn grootste en heiligste toe: de Kerk, Zijn bruid. Huis, stad, Jeruzalem, Sion, Kerk, het zijn allemaal namen van de bruid. (vgl. Openb 21,2) Franciscus moet haar liefhebben zoals Christus haar heeft liefgehad: in haar zonden en wonden. Zie, zij vervalt. Dit woord raakt de hele ziel van de heilige Franciscus aan. Christus leeft in hem Zijn leven als Bruidegom en neemt hem geheel met Zich mee aan het kruis. Jezus verwondt hem met de wonde van Zijn eigen liefde; hij moet het „zien”, met welke melaatsheid de bruid, de hele verloren schepping, is geslagen, welke wonden zij in het lichaam van Christus openrijt, en met welke liefde haar Bruidegom in haar armoede afdaalt om haar melaatsheid te kussen en haar tot haar adel terug te brengen.

Hier ontdekt hij de armoede als geheim van het bruid-zijn. Hij kan de Kerk alleen dan in de armen van de Gekruisigde terugbrengen, wanneer hij even arm is als de Bruidegom zelf. En zo ligt hier, in het kerkje van de Portiuncula, de oorsprong van de franciscaanse armoede. Franciscus verlooft zich met de bruid Armoede.

5 De naam „Portiuncula” betekent „het kleine deeltje”, „de kleine portie”. De legende zegt dat een pelgrim aarde uit het Heilige Land had meegebracht en met die aarde een open plek in het bos bij Assisi bestrooide, zover de aarde reikte. Die plek zou hij aan Maria hebben gewijd en er een kapel op hebben gebouwd. Onder het volk verspreidde zich het verhaal dat de engelen er het Marialof zongen; men had het vaak gehoord. Deze plaats had de heilige boven alle andere lief, hij beval de broeders die plek met bijzonder ontzag te houden. […] De zalige vader vertelde dat hem door God was geopenbaard dat de zalige Maagd onder alle andere kerken die ter ere van haar in de wereld zijn gebouwd, deze kerk met bijzondere liefde liefheeft; daarom had ook de heilige haar meer lief dan alle andere. (2 C 18-19)

En de Heer gaf mij in de kerken zoveel geloof, dat ik in eenvoud zo bad en sprak: „Wij aanbidden U, allerheiligste Heer Jezus Christus, hier en in al Uw kerken die er over de hele wereld zijn, en wij prijzen U, omdat Gij door Uw heilig kruis de wereld hebt verlost.” (H. Franciscus)

O wonderbare Hoogheid en verbazingwekkende Neerbuiging! O verheven Nederigheid, dat de Heer van het heelal, God en Gods Zoon, Zich zo vernedert dat Hij Zich voor ons heil verbergt onder de bescheiden gedaante van het brood. Daarom verzoek ik u allen, met alle liefde waartoe ik in staat ben, dat gij alle eerbied en alle eer, zoveel als gij maar kunt, bewijst aan het heiligste Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus. (H. Franciscus)

Franciscus ontvangt van Maria en Christus de Portiuncula-aflaat (schilderij van Cornelis Schut)

Franciscus ontvangt van Christus en Maria de Portiuncula-aflaat (Cornelis Schut)

Franciscus en de kuisheid

Het bruidsgeheim van de Portiuncula wordt ons nog dieper onthuld in de Portiuncula-aflaat.

In een winternacht werd Franciscus door hevige verleidingen tegen de kuisheid overvallen. De verleiding was zo sterk dat Franciscus de koude nacht in liep, zich naakt uitkleedde en zich in de doornen van een rozenstruik wierp. Zo werd hij meester over de verleiding. Op deze overwinning van de trouw verschenen hem twee engelen, die hem uitnodigden met hen mee te gaan naar de kapel van de Portiuncula, door wier raampje helder licht straalde. Toen hij binnenkwam, zag hij boven het altaar Christus en Maria, omringd door de koren van de engelen. Hij werpt zich op de knieën, en Jezus biedt hem aan dat hij een wens mag uitspreken en die aan Maria mag toevertrouwen. Hij smeekt dat ieder die het kerkje van de Portiuncula gelovig betreedt, kwijtschelding van alle zonden en zondestraffen zal ontvangen. En Maria neemt het verzoek op en draagt het in haar bruidelijk hart aan Jezus op. Jezus verleent het haar, met de aanwijzing aan Franciscus om deze aflaat door Zijn plaatsvervanger op aarde, de paus, te laten bevestigen. Paus Honorius, die toen in Perugia verbleef, verleende de aflaat.

Maar welke geestelijke achtergrond heeft die hevige verleiding en de overwinning in de doornen van de rozenstruik, die na deze strijd om de zuiverheid al zijn doornen verloor en midden in de winter vol bloesems stond?

Franciscus moet de Kerk uit de zonde terugleiden tot de bruidelijke bloei; heerlijk, zonder vlek of rimpel of fout, heilig en onbesmet moet zij zijn. (Ef 5,27) Hoe kan hij deze opdracht uitvoeren, als hij zichzelf niet in de hevigste verleidingen rein bewaart, en ook maar met de kleinste schaduw van begeerte de hem toevertrouwde bruid kwetst?

God heeft in het paradijs de oervijandschap onthuld tussen de slang en de vrouw die het kind baart. (vgl. Gen 3,15) In deze oervijandschap woedt de duivel, de hater en vernietiger van de vereniging van God met de schepping, tegen de uit alle anderen uitverkoren bruidsgeleider Franciscus. Het zijn wereldhistorische slagen die hij in zijn vlees met de duivel uitvecht en wint. Hij is de drakendoder, die weet uit welk gevaar hij de maagd moet redden. (vgl. Openb 12,1 e.v.) Telkens weer klinkt het in zijn geschriften als een schreeuw uit zijn hart: En wij willen ons lichaam met zijn ondeugden en zonden haten; want door een vleselijk leven wil het ons de liefde van onze Heer Jezus Christus en het eeuwige leven ontrukken en zichzelf met allen in de hel storten. (Erm 22)

Het zijn de tranen van Jezus over Jeruzalem, die in de zere ogen van de heilige Franciscus bloedig worden: Mocht ook gij op deze dag inzien wat u tot vrede strekt! (Lk 19,42) Hier, in het kerkje van de Portiuncula, moeten de mensen beseffen en zich bekeren! Wanneer Franciscus door alle eeuwen heen ontelbare mensen tot het christelijke leven brengt, is dat de vrucht van zijn boete en wenen.6 God heeft door Franciscus op een hoogtepunt van de geschiedenis het openbaringswoord over de bruiloft ontsloten. Hij is de herold, die de Hogepriester vanaf de bruidstroon van het kruis uitzendt om alles uit te nodigen voor de koninklijke bruiloft, opdat de hele schepping thuisgebracht en in het Bloed van Christus getrouwd wordt. (vgl. Ef 1,10; Kol 1,16-20) Deze bruiloftsviering van de offerdood van Christus viert de Kerk in elke heilige Mis. Neemt en eet: dit is Mijn Lichaam, dit is Mijn Bloed.

Stervend boog Hij Zijn hoofd naar Maria en Johannes, de bruidelijke Kerk, en gaf Zijn geest aan haar over. Tegelijk vloeide uit Zijn hart bloed en water. Zo schonk Hij de Kerk, Zijn geliefde bruid, Zijn leven en al Zijn verdiensten als Verlosser, opdat zij door doop en Eucharistie de moeder van alle levenden zou worden.

6 En nu in de wereld van onze tijd zo velen de volmaakte onthouding als iets onmogelijks beschouwen, zullen de priesters met nog grotere nederigheid en volharding samen met de Kerk bidden om de genade, trouw te mogen zijn, een genade, die God nooit weigert aan wie erom vraagt. Tevens zullen zij gebruik maken van alle bovennatuurlijke en natuurlijke middelen, die iedereen ter beschikking staan. (Uit het Tweede Vaticaans Concilie, Priest. 16)

Franciscus erkende hoe uit de hartwonde van Jezus het hemelse Jeruzalem voortkwam, de Kerk met haar sacramenten en priesterlijke ordeningen, zoals Eva uit de zijde van Adam. Hij zag hoe elke bloem, elke steen, elke worm, elke wolk aan de hemel, elke ster, hoe alles het uit het Bloed van Jezus gevormde bruidssieraad is. Elk bloempje is geweven uit de liefde van de goddelijke Bruidegom tot Zijn bruid, die Hij wil beschenken.

In deze lichamelijke overgave van Jezus aan Zijn bruid is het christelijk huwelijk gegrond. (vgl. Ef 5,22-32) Daarom is het een sacrament. In de huwelijksviering worden de bruidegom en de bruid in hun man- en vrouw-zijn door de Heilige Geest priesterlijk gewijd, zodat hun huwelijksliefde de heiligingskracht van de liefde van Christus ontvangt.

Paus Johannes Paulus II sprak in zijn openbare audiënties vaak over het bruidelijk mysterie van het lichaam. Wij geven door het lichaam onszelf, hetzij in de zonde, hetzij in de heiligheid. Daarom is elke seksuele gemeenschap die niet in de heiligheid van het sacrament plaatsvindt, ontucht: twee vervullen elkaar wederzijds in hun man- en vrouw-zijn met hun zonde en ontheiligen de tempel van God; zij schenden de hemelse bruiloft die in de doop is begonnen. (vgl. 1 Kor 6,15-20)

Ons lichaam moet een heilige en God welgevallige offergave worden, (vgl. Rom 12,1) opdat ook wij tot Christus liefdevol kunnen zeggen: „Dit is mijn lichaam voor U!”

Paus Innocentius III. ziet in een droom een ordensman die de Kerk steunt

Paus Innocentius III. ziet in een droom een ordensman die de Kerk steunt.

Franciscus en de gehoorzaamheid

Waar haalde Franciscus zijn diepe eerbied en zijn totale gehoorzaamheid aan de Kerk vandaan, en wel aan de Romeinse Kerk? Wetende van de spanning tussen priesterlijke macht en persoonlijke heiligheid schrijft hij in zijn testament: Daarna gaf de Heer mij zoveel geloof aan de priesters die naar de vorm van de heilige Romeinse Kerk leven, op grond van hun wijding, dat ik, als zij mij zouden vervolgen, bij hen mijn toevlucht wil zoeken. […] En ik wil in hen de zonde niet zien, omdat ik de Zoon van God in hen onderscheid en zij mijn heren zijn. En daarom doe ik het, omdat ik lichamelijk van Hem, de hoogste Zoon van God, in deze wereld niets zie dan Zijn heiligste Lichaam en Zijn heiligste Bloed, dat zij zelf ontvangen en dat zij alleen aan de anderen uitreiken. (Test. 6)

Omdat de vernieuwing van de Kerk grotendeels uitgaat van de heiliging van de priesters en Godgewijden,7 nodigt Jezus ons telkens weer uit om voor deze intentie te bidden en op te offeren. Tot Maria Sieler, een mystica van onze tijd, die een leven van genoegdoening leidde voor de vernieuwing van het priesterschap, sprak Jezus: Ik wil de priesters deel laten hebben aan Mij, wil uit hen een tweede Verlosser en Heiland maken, om de lijdende en verdrukte mensheid weer naar Mij toe te trekken. Ik wil hun leven zijn, geheel één met hen worden, Mij aan hen meedelen. Mijn Hart zal hun hart worden. (19.8.1937)8

7 De heiligheid van de priesters draagt in hoge mate bij tot de vruchtbaarheid van hun bijzondere dienst. Want, al kan Gods genade ook door onwaardige bedienaars het heilswerk voltrekken, toch geeft God er gewoonlijk de voorkeur aan, zijn wonderwerken te tonen door hen, die meer openstaan voor de stuwing en de leiding van de Heilige Geest en die vanwege hun innige vereniging met Christus en hun heilig leven met de apostel kunnen zeggen: „Niet ík leef meer, maar Christus is het, die leeft in mij.” (Gal 2,20) (Uit het Tweede Vaticaans Concilie, Priest. 12)

8 Josef Fiedler S.J., Erneuerung der Kirche – Maria Sieler, Imprimatur: Vindobonae, die 18.04.1988, Praep. Prov. Austria P. Josef Czerwinski S.J.

Een goede herder, een herder naar het hart van God, dat is de grootste schat die de lieve God een parochiegemeente kan schenken, en een van de kostbaarste gaven van de Goddelijke Barmhartigheid. H. pastoor van Ars

In alle priesters en bisschoppen en samenvattend in de paus ziet Franciscus de priesterlijke tegenwoordigheid en het gezag van de Bruidegom. Daarin ligt het geheim van de hiërarchische Kerk in haar leer-, herders- en priesterambt.

Jezus heeft Zijn hele genadeschat aan de Kerk toevertrouwd. Dat geschiedde tekenachtig, toen het lichaam van Jezus van het kruis werd afgenomen en in de schoot van Maria werd gelegd; toen ontving zij in haar schoot alle genaden die Christus aan het kruis heeft verworven.

Met Pinksteren werd deze genadeschat in de schoot van de Kerk ingeplant, en zo werd de Kerk met Maria verenigd. De sleutel tot deze schat heeft Christus aan Petrus gegeven. Hij kan ook voor de hemel geldig openen en sluiten, binden en ontbinden, wat zich vooral voltrekt door de toediening van de heilige sacramenten. Ook door de aflaat begenadigt de moeder Kerk haar kinderen op overvloedige wijze en kwijt zij hun in de macht van Jezus wat zij eigenlijk nog zouden moeten boeten. Want zoals Jezus in Zijn menswording geheel van Maria afhankelijk wilde zijn, zo wil Hij nu in Zijn genadewerking geheel van de Kerk afhankelijk zijn.

Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij. Joh 17,11
De heilige Clara van Assisi met de lelie (fresco, Giotto)

De heilige Clara van Assisi met de lelie (fresco, Giotto)

De bruid Clara (1193 – 1253)

De heilige Clara van Assisi, uit een adellijke familie geboren, stichtte samen met de heilige Franciscus, door wie zij persoonlijk in San Damiano werd ingekleed, de Clarissenorde. Clara zal veertig jaar lang de vrouw zijn onder dat kruis, dat tot Franciscus in San Damiano heeft gesproken.

… in deze strenge clausuur brak zij tweeënveertig jaar lang met de gesels van de tucht het albasten vat van haar lichaam, zodat het huis van de Kerk werd vervuld van de geur van de balsems. (LebKl 10)

Zo wordt Clara tot de levende duiding van de zending die Franciscus in San Damiano van Christus ontving: Zijn huis weer op te bouwen. In Clara wordt de Kerk zichtbaar, die Franciscus als heilige, zuivere bruid van Christus tot de huwelijksvoltrekking moet leiden. Daarom is de liefde van de heilige Franciscus tot Clara de liefde van Christus tot Zijn Kerk.9

9 Zie Eugen Mederlet OFM, Die Hochzeit des Lammes, 1983, blz. 96-133, Imprimatur: P. Karl Feusi OFM, provinciaal. De franciscaanse bronnengeschriften stammen uit Franziskus-Quellen, 2009 en Klara-Quellen, 2013.

Gebed voor de heilige Kerk

Heilige Franciscus, machtige voorspreker aan de zijde van Jezus de Gekruisigde in Zijn grootste barmhartigheid. Wij smeken om uw hulp in onze grote nood. De wonderbare schepping van God, de wereld, ja de hele mensheid en de heilige Kerk verkeren in zwaarste benauwing.

Heilige Franciscus, vaste zuil van de katholieke Kerk, reeds eens hebt gij de wankelende muren van de Kerk gesteund; opnieuw wordt zij van alle kanten bedreigd. Verwerf ons de eenheid in het geloof, opdat allen die buiten de Kerk van Jezus Christus staan, hun toevlucht vinden in de armen van Jezus. Dat zij de thuisweg herkennen, die hen leidt tot de trouw aan het leergezag, verankerd in het rotsfundament van het pausdom, en tot deelname aan de verdiensten van Jezus de Gekruisigde met de rijkdom van al Zijn genadeschatten.

Heilige Franciscus, evenbeeld van het lijden van Jezus, getekend met Zijn wondmerken, sta onze bisschoppen en priesters bij, dat zij als beschermers en verdedigers van ons geloof strijden, de dwaling tegemoettreden en tot gelijkenis met u komen. Amen.
Jezus Christus, de Eeuwige Hogepriester

Jezus Christus, de Eeuwige Hogepriester

De heilige Birgitta van Zweden (1302/03 – 1373)

De heilige Birgitta, patrones van Europa, die voor de vernieuwing van de geestelijkheid en de hele Kerk een heldhaftig offerleven leidde, openbaarde Jezus telkens Zijn grote smart over het zedeloze leven van enkele van Zijn dienaars.

Eens zei Jezus tot Birgitta: Zie, Mijn dochter, toen Ik van de wereld scheidde, heb Ik aan Mijn priesters het Mij dierbaarste toevertrouwd en heb Ik hun vijf gaven nagelaten. Ten eerste Mijn geloof; ten tweede de beide sleutels tot de hel en tot de hemel; ten derde de kracht om uit een vijand van God een engel te maken; ten vierde de macht om Mijn heiligste Lichaam te consacreren, wat geen engel kan doen; ten vijfde het voorrecht, Mijn allerheiligste Lichaam met hun handen te mogen aanraken. Nu echter behandelen zij Mij zoals zij die ontkend hebben dat Ik Lazarus van de doden had opgewekt. […] Zo doen de priesters het ook tegenwoordig, wanneer zij niet Mijn woorden spreken en Mijn leer niet verkondigen, maar de liefde tot de wereld leren en de wellust prediken, en het voor niets achten wat zij aan zondeschuld op zich hebben geladen.

Deze klacht van de Eeuwige Hogepriester, door een heilige aan de priesters overgebracht, miste haar uitwerking niet bij de geestelijkheid en het volk.

Hoezeer Hij Zijn priesters liefheeft en hoe Hij hen heeft uitgekozen, tonen ons deze woorden aan Birgitta: Ik heb de priesters boven alle engelen en heiligen uitverkoren en hun alleen de macht gegeven om Mijn Lichaam tegenwoordig te stellen en aan te raken. […] Ik heb de priesters zo lief gehad dat Ik hun alleen zulke eer wilde bewijzen en hen op zeven trappen tot Mij liet opstijgen. Zij moeten geduldig zijn als schapen, standvastig als een muur op het beste fundament, moedig als krijgers, wijs als slangen; schaamachtig als maagden, rein als de engelen, van liefde gloeiend als een bruid die naar de kamer van haar bruidegom verlangt.

In een openbaring die Birgitta van de Moeder Gods ontvangt, wordt de paus erop gewezen dat hij over de zuiverheid van de geestelijkheid moet waken: De paus moet elke bisschop bevelen op het leven van zijn geestelijken te letten, zodat aan ieder die zijn leven niet wil beteren en niet in onthouding wil volharden, zijn prebende volledig wordt ontnomen, omdat het God liever is dat op zo’n plaats helemaal geen Mis wordt gevierd, dan dat het lichaam van de Godszoon door hoerenhanden wordt aangeraakt.10

10 Gottes Nordlicht van Ferdinand Holböck, 1983, blz. 293-295, 298, Imprimatur: Aartsbisschoppelijk Ordinariaat Salzburg, + Jakob Mayr, hulpbisschop en vicaris-generaal.

De heilige Catharina van Siena (1347 – 1380)

De heilige Catharina van Siena, kerkleraar en patrones van Europa, was bezield door een buitengewone liefde tot de Kerk. Net als haar tijdgenote, de heilige Birgitta van Zweden, streed ook zij onvermoeid met de wapens van de Geest om de hervorming en eenheid van de Kerk. Toen haar op een dag in een visioen het „mystieke schip van de Kerk” op de schouders wordt gelegd, zakt zij onder de last ineen. Kort voor haar dood bad zij:

O eeuwige God, aanvaard het offer van mijn leven voor het mystieke lichaam van de heilige Kerk. Ik heb niets anders aan te bieden dan wat Gij mij hebt gegeven. Neem dus mijn hart en pers het uit boven het gelaat van deze Bruid.11

11 De heilige Catharina dicteerde in de jaren 1377 en 1378 met tussenpozen een boek, dat gewoonlijk de titel draagt Dialoog van de goddelijke Voorzienigheid of van de goddelijke Leer, waarin haar ziel in verrukt gesprek met de Heer verhaalt wat de eeuwige Waarheid haar zegt als antwoord op haar vragen over het welzijn van de Kerk, van haar kinderen en van de hele wereld. Het boek wordt gekenmerkt door profetische geest, evenwichtig denken en helderheid van uitdrukking. Het behandelt de verhevenste geheimen van onze godsdienst en de moeilijkste vraagstukken van ascese en mystiek. Waakzaam en smekend richt zij zich tot de broeders in de wereld, die zij op de paden van de zonde verloren ziet gaan en die zij probeert op te schudden uit de dodelijke afgestomptheid: met fijne psychologische intuïtie werpt zij lichtbundels op de weg der volmaaktheid, door de verheffing van de mens te prijzen die in de navolging van de gehoorzame Christus de veilige weg vindt naar de Allerheiligste Drievuldigheid … (H. paus Johannes Paulus II, uit het apostolisch schrijven Amantissima Providentia, 29.4.1980)

De heilige Theresia van het Kind Jezus (1873 – 1897)

De heilige Karmelietes Theresia van het Kind Jezus, patrones van de wereldmissie en kerkleraar, die zich in hartstochtelijke liefde voor Christus en Zijn Kerk verteerde, schrijft in haar autobiografie:

Ik begreep dat de Kerk een hart heeft, en dat dit hart van liefde brandt. […] Toen riep ik in de overmaat van mijn overstromende vreugde: O Jezus, mijn liefde, … eindelijk heb ik mijn roeping gevonden: mijn roeping is de liefde! … Ja, ik heb mijn plaats in de Kerk gevonden. En deze plaats, mijn God, hebt Gij mij geschonken. … In het hart van de Kerk, mijn moeder, zal ik de liefde zijn, … zo zal ik alles zijn, … zo zal mijn droom werkelijkheid worden! … Ik ben slechts een kind, een zwak, machteloos kind, maar juist mijn zwakheid geeft mij de moed, mij als offer aan te bieden aan Uw liefde, o Jezus! […] ik wil mij geen enkel klein offer laten ontgaan, geen blik, geen woord, ik wil de geringste handelingen benutten en ze uit liefde doen … O mijn Jezus! Ik heb U lief, ik heb de Kerk lief, mijn moeder, en ik herinner mij dat de geringste beweging van zuivere liefde haar meer nut brengt dan alle andere werken samen.
Gebed voor de priesters

O Jezus, Eeuwige Hogepriester, bewaar Uw priesters in de bescherming van Uw Heilig Hart, waar niemand hun kan schaden.

Bewaar onbevlekt hun gezalfde handen, die dagelijks Uw heiligste Lichaam aanraken.

Bewaar rein de lippen die rood zijn van Uw Kostbaar Bloed.

Bewaar rein en onaards hun hart, dat is gezegeld met het verheven teken van Uw glorierijk Priesterschap.

Laat hen groeien in liefde en trouw jegens U en behoed hen voor de besmetting van de wereld.

Geef hun met de macht tot de wijding van brood en wijn ook de macht over de harten.

Zegen hun werk met rijke vrucht en schenk hun eens de kroon van het eeuwig leven. Amen.12 H. Theresia van het Kind Jezus

12 Grondslag van haar bidden en offeren was bij Theresia een grote waardering voor het priesterschap. Hoewel zij de zwakheden van de priesters opmerkt, gaat zij toch niet zomaar over tot kritiek. Veeleer is dat voor haar aanleiding om te bidden en te offeren. En bij de beproeving die aan haar professie voorafging, zei zij: „Ik ben gekomen om zielen te redden en vooral om voor de priesters te bidden.” (Uit Thérèse van Lisieux, Selbstbiographie, 1988)

De zalige Dina Bélanger (1897 – 1929)

De zending van de zalige Dina, uit de orde van de Zusters van Jezus en Maria in Sillery (Canada), bestond vooral in een leven van genoegdoening ter heiliging van de priesters en Godgewijden. Ook aan haar openbaarde de Heer Zijn grote liefde voor de gewijde zielen, maar ook Zijn diepe smart over hun ontrouw.

Mijn priesters, mijn priesters, ach! Ik heb hen zo lief! En er zijn er onder hen zoveel die Mij zo weinig liefhebben! … Als Mijn Hart tijdens de doodstrijd bloedtranen over hen heeft gestort, dan gebeurde dat niet alleen omdat zij zich door het verlies van de heiligmakende genade van Mij zouden hebben afgescheiden, maar ook omdat zij niet genoeg een leven van innige vereniging met Mij leiden. Ik roep hen om een tweede Christus te worden. Een ander Ik van Mij te zijn: dat is hun roeping. Velen van hen zijn Mijn troost, Mijn roem en Mijn eer. Maar enkelen, ach! bedroeven Mij … Wilt u, Mijn kleine bruid, Mij door Mijn allerzaligste Moeder uw dag van vandaag schenken voor Mijn priesters? Wilt u Mij zo elke zaterdag schenken? Dat wil zeggen: door Mijn verheven Moeder Mij liefhebben, bidden, uzelf verloochenen, uzelf opofferen voor Mijn priesters? […]

In de handen van Mijn priesters ligt het hele religieuze leven van de samenleving. Als zij allen werkelijk heilig waren, zou alleen al hun aanblik, of het nu in de kerk, op straat of elders is, de gedachten van de mensen op Mij richten; zij zouden de zielen tot Mij trekken; wanneer men hen ontmoette, zou men denken: dat is een tweede Christus, die daar gaat! […]

Als u wist hoeveel Mijn Hart wordt getroost, wanneer Ik een ziel vind die zich Mij volledig overgeeft! Maar Ik vind er zo weinig van! Zelfs onder de gewijde zielen zijn er maar weinig die zich Mij volledig overgeven! – Mijn apostelen Petrus, Jakobus en Johannes, aan wie Ik Mij juist in de heilige Communie had geschonken en die Ik tot priesters had gemaakt, waren gewijde zielen, en zij sliepen tijdens Mijn doodstrijd! Hoeveel gewijde zielen slapen nog altijd, terwijl Mijn Kerk wordt vervolgd en lijdt.

Dina krijgt diepe inzichten in het geheim van het Allerheiligste Altaarsacrament. Als wij zouden begrijpen welk een schat wij bezitten in de goddelijke Eucharistie, dan zouden de kerken dag en nacht vol zijn van aanbidders, die van liefde tot de goddelijke gevangene van het tabernakel verteerd worden.

Mijn Hart stroomt over van genaden voor de zielen. Leid ze naar Mijn Eucharistische Hart! Jezus tot de zalige Dina

Aan Dina worden door de Heer ook diepzinnige geheimen geopenbaard over de zaligheden van de hemel en de onuitsprekelijke waarde van het kruis.

Dina ziet dat de geringste graad van gelukzaligheid in de hemel oneindig veel meer waard is dan alle denkbare vreugden op aarde. En elke kleinste daad van liefde, van instemming met de goddelijke wil, van gehoorzaamheid of van verloochening zal ons zulk een gelukzaligheid bezorgen. De Allerheiligste Drievuldigheid biedt ons de afgronden van haar rijkdommen aan, maar hoe gering is het aantal van hen die deze in ontvangst nemen, door zich volledig over te geven aan het heilige werken van God.

Nooit zullen wij de onmetelijkheid van de oneindige goedheid jegens elke menselijke ziel kunnen begrijpen. Het langste leven hier op aarde duurt in werkelijkheid slechts een kort ogenblik. Hoe onverstandig zijn wij, als wij dit ogenblik, dat ons aardse leven is, niet gebruiken tot grotere eer van de hoogste Heer. Welke verrassingen zal het in het laatste uur geven, wanneer de sluier voor de waarheid scheurt! […]

Ik zou graag alle zielen, vooral de uitverkoren zielen, de waarde van het kruis duidelijk willen maken. Het lijden is een onmetelijke goudmijn; het is een brandende pijl, die de liefde uit het hart van het Oneindige afschiet, om het menselijk hart te verteren en het in de Godheid onder te dompelen. […]

Neen, het hart van deze aanbiddenswaardige Bruidegom, dat zo teer en goed is, wordt niet erkend! Jezus heeft het kruis verkozen als een heilig goed. Hij heeft het met hartstocht omhelsd, Hij heeft het liefgehad tot de dwaasheid toe: en dat voor ons! […] Hoezeer verheugt Zijn Hart zich, wanneer een gekwetste en gekruisigde ziel met liefde de gesel, de lans en de kostbare nagelen kust! […] O Geest der waarheid, door de verdiensten van Jezus bid ik U, schenk de zielen het licht, leer hen de ware goederen te waarderen en de oneindige goedheid te erkennen in de uren van beproeving en vernedering.13

O Jezus, Eeuwige Hogepriester, die uit liefde tot ons de mensheid door Uw lijden en Uw kruisdood hebt verlost, aanvaard door de gezegende handen van Uw Moeder genadig mijn lijden. Met Uw kruis draag ik U het mijne in liefde op. Maak het apostolaat van Uw priesters vruchtbaar, opdat Uw rijk van licht, liefde en vrede tot ons kome. Amen.14

13 Die Selige aus Kanada van Engelbert Recktenwald, 1996.

14 Imprimatur: Frib. Helv., 15 september 1960.

Zr. Consolata Betrone (1903 – 1946)

De zending die Jezus de dienares Gods Zr. Consolata uit de orde van de Clarissen-Kapucijnessen heeft toevertrouwd, bestaat erin door de „kleinste weg van de liefde”, waartoe zij de zielen oproept, mee te werken aan de religieuze vernieuwing van de wereld en aan de redding van zielen. Deze geestelijke weg kan men, zoals uit de onderrichtingen van Jezus blijkt, in drie punten samenvatten:

  1. Een onophoudelijke liefdesdaad: hartsgebed, dat is een innerlijke handeling.
  2. Een glimlachend ja tot allen: in allen Jezus zien en allen behandelen zoals Jezus.
  3. Een dankend ja tot alles: tot alles wat God van ons wil.

Het aardse leven van Jezus was één enkele worsteling om het heil van de zielen. Van dit worstelend verlangen spreekt de Heer tot Zr. Consolata:

Liefde en zielen! Wat is er mooier? […] Jezus, Maria, ik heb U lief, red zielen! Sluit allen in: de zielen in het vagevuur zowel als die van de strijdende Kerk, de onschuldigen zowel als de schuldigen, de stervenden, de goddelozen, alle zielen!

Jezus vertrouwde Zr. Consolata in het bijzonder die gewijde personen toe, die hun roeping ontrouw zijn geworden. Zo verklaarde Hij haar:

Consolata, ook u hebt in de Kerk een kudde, die u naar het eeuwige leven moet leiden: uw broeders en zusters. Welaan, ook u zult een goede herder zijn, die zoals Jezus zijn leven geeft voor zijn schapen.15
Maria, Gij goede Moeder van de priesters, neem alle priesters onder Uw bijzondere hoede en bescherming en breng met goedertieren moederhand ook de arme dwalende priesters, die aan hun verheven roeping ontrouw werden, terug tot de Goede Herder. Amen.16

Voor deze hun broeders en zusters deed Consolata alles. Voortdurend bad zij bij al haar taken haar hartsgebed: Jezus, Maria, ik heb U lief, red zielen!, en maakte van alles een offer voor God. Daarvoor schonk Jezus haar de belofte:

Zie, het zijn louter onbeduidende dingen, maar Ik verheug Mij er zeer over en geef ze onmetelijke waarde, omdat u ze Mij met grote liefde aanbiedt. Al deze nietigheden laat Ik als bekeringsgenaden neerstromen op onze ongelukkige broeders.

Vaak werden aan het klooster heel concrete, zware gevallen toevertrouwd, waarvoor Consolata plaatsvervangend de overeenkomstige lijden op zich nam. Zo doorleed zij soms langere tijd droogte, verlatenheid, zinloosheid, eenzaamheid, twijfel en zondige toestanden van priesters. Eens schreef zij in deze worsteling aan haar geestelijk leidsman: Wat kosten die broeders toch! Maar Jezus gaf haar de grootse belofte:

Consolata, u zult op zoek gaan naar iedere broeder en iedere zuster en hen naar Mij terugbrengen, en Ik zal hun vergeven om het bloed willen dat Ik voor allen heb vergoten.17
Er mag geen broeder op de wereld zijn, al heeft hij ook gezondigd zoveel als hij maar kon zondigen, die uw ogen heeft gezien en dan van u zou moeten weggaan zonder uw barmhartigheid, als hij barmhartigheid zoekt; en zoekt hij geen barmhartigheid, vraag hem dan of hij barmhartigheid wil. En zou hij daarna ook nog duizendmaal voor uw ogen zondigen, heb hem dan meer lief dan mij, opdat u hem tot de Heer trekt. H. Franciscus

15 Judas is helaas niet alleen gebleven, hij was slechts de eerste van een lange reeks, die zich tot op de dag van vandaag voortzet. Al deze ongelukkigen zijn oorzaak van de doornen rond het Goddelijk Hart van Jezus en van de bitterste tranen van de Kerk, die er zo naar verlangt dat alle christengelovigen door gebed en offer meewerken aan de heiliging van de priesters en Godgewijden. Velen klagen weliswaar over deze ergernissen en werpen stenen naar de afgedwaalde schapen, maar slechts weinigen helpen mee deze ongelukkigen terug te leiden naar de Goede Herder. Laten we niet vergeten dat elk klein schietgebedje en elk klein offer in deze intentie een parel is en een teken van onze wederzijdse liefde en verantwoordelijkheid.

16 Imprimatur: Regensburg, 1.2.1973.

17 Zie Schwester Consolata Betrone van P. Lorenzo Sales, 1961, Imprimatur: Friburgi Helv., 15 september 1961.

De heilige Mis – de zon van ons leven

Van alle schatten der wereld is er geen kostbaarder dan het heilige Misoffer; en van alle ongeluk der wereld is er geen groter dan de onwetendheid over dit heiligste offer. Want bij de viering van de heilige Mis staan wij als leden van het mystieke lichaam als het ware aan de voet van het kruis, en mogen wij, verenigd met Christus, onze Eeuwige Hogepriester, de Hemelse Vader het volmaakte lof-, dank-, zoen- en smeekoffer brengen. De heilige Mis is daarom bron en hoogtepunt van het hele christelijke leven, de hoogste eredienst, de geheimzinnige onbloedige vergegenwoordiging van het kruisoffer van Jezus Christus.

Ik verzoek ook in de Heer al mijn broeders, de priesters, die priesters van de Allerhoogste zijn […]: Zij moeten, telkens wanneer zij de Mis willen vieren, zelf rein zijn en in een zuivere gezindheid, met eerbied en met een heilig en zuiver voornemen het ware offer van het heiligste Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus brengen. H. Franciscus

In de gehoorzame overgave van Jezus wordt de Vader alle heerlijkheid en eer ten deel. Tegelijk opent de liefde van Christus voor elke mens een weg, die leidt naar het hart van de Vader. Zo straalt in dit mysterie de diepste eigenschap van God op: Zijn ondoorgrondelijke barmhartigheid. Ons hele wezen, onze menselijke zwakheid, onze zorgen en noden en de schuld van alle mensen leggen wij neer in het gebeuren van de consecratie van de heilige Mis. Want in het geofferde Lichaam en in het vergoten Bloed van Christus vinden wij genezing en verzoening voor onze zonden en voor de zonden van de hele wereld.

Van de heilige Mis kan men zeggen wat de heilige Schrift van de wijsheid zegt: Want zij is voor de mensen een onuitputtelijke schat; wie die schat verwerven, winnen de vriendschap met God. (Wijsh 7,14)

Geen uur van de dag is kostbaarder dan het uur waarin wij de heilige Mis meevieren. Die tijd is in waarheid een gouden uur. De offers die wij bij het meevieren van de heilige Mis op ons nemen, worden in goud veranderd. Want zoals de zon alle planeten overtreft, zo overtreft het vrome meevieren van de heilige Mis alle andere werken van vroomheid.

Niets komt de Eucharistie in grootte gelijk! Stel alle goede werken van de wereld tegenover één goede communie: dat is als een stofje naast een gebergte. H. pastoor van Ars
Op het ogenblik dat de heilige Mis wordt gevierd, snellen de engelen van de hemel naar de gevangenis van het vagevuur en openen die. H. Chrysostomus

Toen de heilige P. Pio eens werd gevraagd wat wij tijdens de heilige Mis moeten doen, antwoordde de heilige: Meelijden en liefhebben. Ook zei hij graag: Eerder zou de wereld zonder zon kunnen bestaan dan zonder de heilige Mis.

O Jezus, door Uw dood en Uw heilig Bloed bekeer de zondaars, red de stervenden, verlos de arme zielen uit het vagevuur, heilig de priesters, religieuzen en gezinnen.

Bij elke viering van de heilige Mis klinkt de roep van de Hemelse Vader: Alles staat gereed, komt naar de bruiloft! Mijn geliefde Zoon vernieuwt door de handen van de priester het offer van Calvarie en voedt u in de heiligste Eucharistie met Zijn eigen Vlees en Bloed! En toch, hoe weinigen volgen Zijn uitnodiging: Maar zonder er zich om te bekommeren … Zo staat het in de gelijkenis van het koninklijke gastmaal, dat wij in het volgende hoofdstuk levendig en dicht bij het leven willen beschouwen.

Komt naar de bruiloft!

Christus is de eniggeboren Zoon van God. In Zijn menswording komt Hij om Zijn bruid, de heilige Kerk, naar de bruiloft te roepen en de mensen uit te nodigen voor de viering. De gelijkenis noemt vier groepen van genodigden:

De eerste groep zijn de onverschilligen. Ook bij de uitnodiging van God zijn er zulke mensen. De uitnodiging wordt hun meermaals met nadrukkelijke aandrang gedaan. Maar de godsdienst zegt hun niets. Zij zijn realisten, voor wie alleen het aardse en materiële werkelijkheid is. Het christendom interesseert hen niet. […] Het heeft niets te maken met beursspeculatie, beroepsvooruitgang en maatschappelijke positie. De uitnodiging blijft onafgehandeld op het bureau liggen of verdwijnt in de prullenmand. In werkelijkheid bestaat er tegenover God echter geen onverschilligheid, want God laat die niet gelden. Wie zich om Christus niet bekommert, komt niet in het Rijk van God; hij is dus iemand die buiten staat en dienovereenkomstig ook buiten blijft. Het eindoordeel van de Heer zal luiden: Ik ken u niet!

De tweede groep zijn de mensen van de oppositie. In de gelijkenis brengen zij de boodschappers van de uitnodiging kortweg om het leven. Zij houden het noch met de regerende heerser, noch met de troonopvolger. […] Zij staan duidelijk in het andere kamp. In de kwestie van het Godsrijk zijn het de strijdlustige atheïsten, de haters van het christendom. Godsdienst is voor hen geen onverschillige zaak, maar opium voor het volk, een hindernis voor de opgang van de mensheid, een vijand van de eigenlijke humaniteit, een hinderlijk overblijfsel van de bijgelovige middeleeuwen, dat nu definitief moet worden opgeruimd. Zo voeren zij de strijd in woord en geschrift, sluiten zij zich samen tot gezamenlijke actie en organiseren zij het verzet. In de parabel laat het antwoord van de koning niet op zich wachten. Zijn troepen omsingelen de zetel van het vijandige verzet, maken hem met de grond gelijk en doden de vijand. Het is een beeld van de grote afrekening van Christus aan het einde der tijden.

De derde groep zijn de eerbiedelozen. De parabel tekent één gestalte als hun vertegenwoordiger. De man die van de straat naar de bruiloft was geroepen en aan wie men in de voorhal een feestgewaad heeft aangeboden, is ervan overtuigd dat zijn lompen goed genoeg zijn. Men moet hem nemen zoals hij is. De uitnodiging zegt hem niets bijzonders. Op het geestelijke overgebracht zijn het de mensen die niet willen weten waar het bij God om gaat. Het ontbreekt hen aan de vreze Gods. […] Godsdienstig leven is iets, waaraan men van tijd tot tijd, meer gedwongen dan vrijwillig, uitdrukking geeft. Men gaat ’s morgens naar de zondagsmis, zoals men ’s middags naar het restaurant gaat of ’s avonds naar een concert en op werkdagen naar kantoor. God moet blij zijn wanneer zij de uitnodiging tot de eredienst opvolgen. Het zijn de mensen die nooit werkelijk innerlijk hebben begrepen wat een roeping van God betekent. Het verschil tussen Schepper en schepsel, eeuwigheid en tijd, oneindigheid en eindigheid, Heer en knecht is hun nooit werkelijk levend geworden. […] Daarom doen zij ook op geen enkele manier moeite voor een overeenkomstige innerlijke houding. Zij zien niet in dat een christen anders leeft dan een niet-christen. Omdat God hun iets bijkomstigs is, bekommeren zij zich er ook niet om of zij in de genade van de Heer leven of in de zonde. […] De uitwerking wordt in de parabel drastisch getoond. Het is het buitenzetten uit de verlichte feestzaal in de duisternis, uit de verkiezing in de verwerping. Uiterlijke aansluiting bij de Kerk van Christus is niet genoeg. Wanneer de innerlijke omvorming niet plaatsvindt, eindigt alles in het buitenzetten.

De waarde van één enkele genade is groter dan de waarde van het gehele heelal. H. Thomas van Aquino

De vierde groep zijn de eigenlijke bruiloftsgasten. Zij zijn weliswaar van merkwaardige herkomst: zwervers, landlopers, eenvoudig volk en bedelaars van heggen en hekken. De uitnodiging was de grote verrassing van hun leven. Vrolijk hebben zij gehoor gegeven. Met rillingen van eerbied zijn zij het paleis binnengegaan, met kinderlijke vreugde hebben zij het geschonken feestgewaad aangetrokken. En nu zijn zij op het bruiloftsfeest als in de hemel. Eén ding vrezen zij alleen: ooit weer naar buiten te moeten, in het vuil en de ellende, de kou en de duisternis daarbuiten. Het zijn de mensen met de stralende ogen en dankbare harten, de mensen die weten wat genade en roeping is. Het is de mens van de zonde, die in de wereld der genade is geroepen. Het is de religieuze mens, die weet dat zonder God alles niets waard is, die de roeping als vrij geschonken genade weet te waarderen en de pijnlijke ervaring van eigen zwakheid en zondigheid diep in zich draagt. Maar alles verliest zich in de glans van de feestelijke vreugde, want hij weet dat het katholieke christendom een bruiloftsfeest is, dat met de menswording van God zijn begin nam en dat bij de wederkomst van de Heer zijn volle feestelijke hoogte bereikt, met een licht dat niet meer dooft en een vreugde die niet meer verklinkt.

Zo eist het christendom een beslissing met een voor of tegen, een ja of nee. […] Het gaat om het laatste en diepste: om eeuwig zijn of niet-zijn.18

Hemelse Vader, ik offer U door Maria de oneindige verdiensten van Jezus op, ter herstel van alle door mij ontrouw verspilde genaden. Amen.

18 Richard Gutzwiller, Die Gleichnisse des Herrn, 2017, Imprimatur van het Bisschoppelijk Ordinariaat Chur, 2 maart 1960.

De tranen van de Moeder

Wenend, het gezicht in de handen verborgen, verscheen de Moeder Gods op 19 september 1846 aan twee herderskinderen in La Salette.

Ik ben hier om jullie een belangrijke boodschap over te brengen … Als mijn volk zich niet wil onderwerpen, ben ik genoodzaakt de arm van mijn Zoon te laten vallen. Hij is zo zwaar en zo drukkend, dat ik hem niet langer kan tegenhouden. Reeds zo lang lijd ik om jullie, maar jullie trekken je er niets van aan! … Zes dagen heb ik jullie gegeven om te werken. De zevende dag heb ik voor mijzelf voorbehouden, maar men wil mij die niet toestaan.19 Dat is wat de arm van mijn Zoon zo zwaar maakt … Wanneer de oogst bederft, gebeurt dat alleen door jullie toedoen … Wanneer zij zich bekeren, zullen stenen en rotsen in korenhopen veranderen, en zullen de akkers bezaaid zijn met aardappelen …

Ach kinderen, jullie moeten jullie gebed goed verrichten, en al ware het maar een „Onze Vader” en een „Wees gegroet, Maria” ’s morgens en ’s avonds, als jullie niet meer tijd hebben. Hebben jullie echter meer tijd, bid dan meer! In de zomer gaan alleen een paar oudere vrouwen naar de heilige Mis. De anderen werken de hele zomer door op zondag. En in de winter, wanneer zij niet weten wat te doen, gaan zij alleen naar de heilige Mis om zich vrolijk te maken over de godsdienst …

Tijdens de hele tijd van de verschijning vloeien de tranen uit de ogen van de Moeder Gods.20

Onze Lieve Vrouw van La Salette, verzoenster van de zondaars, bid onophoudelijk voor ons die tot U onze toevlucht nemen!

19 Naar Gods wil worden ons alle door Christus verdiende genaden door Maria geschonken. Zo gaan ook de dagen die God ons schenkt door Maria’s handen. (vgl. Leo XIII., encycliek Octobri Mensae) Daarom kon Maria op La Salette spreken: „Zes dagen heb ik jullie gegeven om te werken.”

20 Op 19 september 1851 werd de boodschap van La Salette door Philibert de Bruillard, de bisschop van Grenoble, kerkelijk erkend. Hoe zeer verschilt toch de goddelijke heilsstrategie van de hedendaagse vernieuwingsprogramma’s. Door de Moeder Gods vraagt de Heer niet een versoepeling van de kerkelijke zedenleer, maar boete en bekering; niet een afbouw van de Mariaverering om de oecumene wil, maar de verering van haar Onbevlekt Hart. Tegenover een P. Pio vraagt de Heer niet de opheffing van het celibaat of liturgische experimenten om de eredienst te verlevendigen, maar Hij klaagt over de onverschilligheid en eerbiedeloosheid die Hem in het Allerheiligste Altaarsacrament worden betoond. Tegenover de zalige Dina Bélanger vraagt de Heer van Zijn priesters niet grotere wereldopenheid, maar een leven in innigere vereniging met Hem, en van de orden en gemeenschappen geen verslapping van de discipline, maar grotere trouw aan de heilige Regel. In de boodschappen aan de heilige Zr. M. Faustyna stelt de Heer geen afbouw van het zondebesef voor, maar nodigt Hij uit om vaak in het heilige Boetesacrament Zijn barmhartigheid in te roepen. Wat vandaag als vooruitgang wordt geprezen, is in werkelijkheid afbraak van geloofs- en zedenleer. En deze afbraak doorboort het Hart van Jezus en van Maria. (vgl. Engelbert Recktenwald, Harter Geist und weiches Herz, Imprimatur: P. Josef Bisig, Suprio generalis, FFSP, Opfenbach, 21 oktober 1996)

Een stille gids naar het katholieke geloof

De Steyler missionarissen pater Götsch en broeder Gervasius beleefden in China een gebeurtenis, die zich aan elk verstandelijk begrip onttrekt.

Broeder Gervasius begeleidt de pater van Kaotai naar een zwaarzieke vrouw. Na een rit van drie dagen, meer dan tweehonderd kilometer, zijn zij ter plaatse, maar de zieke vrouw was reeds overleden. Bedrukt keren de missionarissen terug. Ongeveer halverwege de bergrit ontmoeten zij een jongen, die hen vraagt naar zijn moeder mee te komen. De jongen leidt hen ongeveer 15 km van de weg af naar een klein dorp. In een leemhut wacht een stervende. Zij stelt de beide missionarissen onverwacht vreemde vragen:

„Vreemdeling, wil je mij in waarheid antwoorden?”

»Zeker.«

„Is er een God, die in drie gestalten bestaat? Is er in het andere leven een plaats van vreugde voor de goeden en een plaats van verschrikking voor de bozen? Klopt het dat God op deze aarde is gekomen om voor de mensen te sterven en hun de plaats van vreugde te openen? Buitenlander, is dat alles waar?”

De priester bevestigt verbaasd al deze vragen. Hoe kent de zieke deze geloofswaarheden?

„Je hebt water bij je,” vervolgt de zieke, „was mij, zodat ik naar de plaats van vreugde kan komen!”

Hoe weet zij dat pater Götsch doopwater bij zich heeft? Na een kort gesprek dient de missionaris de zieke het doopsel toe. Vol vreugde uit de moeder een nieuwe wens: „Je hebt brood bij je. Geen gewoon brood, maar God zelf. Geef mij ook daarvan.”

De stervende weet ook dat de priester het Allerheiligste bij zich heeft. Pater Götsch dient haar de heilige Communie toe en geeft haar de ziekenzalving.

Dan zegt hij: »Tot nu toe heb jij vragen gesteld, nu stel ik enkele vragen: Hoe ken jij de geloofswaarheden? Hebben katholieke of evangelische christenen je daarover verteld?«

„Ik ken geen christenen, vreemdeling!”

»Heb je dat alles in boeken gelezen?«

„Ik kan niet lezen. Ik weet ook niet dat er christelijke literatuur in mijn taal bestaat.”

»Maar hoe heb je dan je geloofskennis?«

„Ik dacht eenvoudig, het moet zo zijn. Sinds tien jaar leef ik naar dit geloof. Ik heb ook mijn kinderen onderwezen. Je kunt ze allemaal „wassen” (zij bedoelt dopen).”

»Wist je dat wij vandaag langs zouden komen?«

„Ja, ik had een droom en zag een oudere man, die mij zei dat ik mijn jongen naar de weg moest sturen en de beide buitenlanders moest roepen; zij zouden mij »wassen« voor de goede plaats na de dood.”

De missionarissen zijn diep getroffen. Het wezen van de zieke is in het aangezicht van de dood zo eenvoudig, dat er geen ruimte voor twijfel blijft. Bij het afscheid schenken zij haar een klein beeld van de heilige Jozef, de patroon van de stervenden. Daarop is de zieke buiten zichzelf van vreugde. „Die ken ik, die heeft mij immers bezocht. Hij is al vaak bij mij geweest en liet mij mijn zoon naar de weg sturen om jullie te roepen.”

Is hij in de droom of in werkelijkheid bij haar geweest? Zij weet het niet, en het is haar ook niet belangrijk. Belangrijk is wat zij door hem heeft ervaren.

De vrouw stierf nog diezelfde nacht.21

Liefdevolle heilige Jozef, machtige beschermer van de heilige Kerk, aanschouw de grote verdrukking van de Bruid van Jezus Christus en de vreselijke nood van zovele zielen. O kom hun te hulp met Jezus en Maria, de engelen en heiligen. Verijdel de plannen van de goddelozen en ontsteek de harten van de gelovigen met de gloed van de Heilige Geest, opdat zij Jezus vrij en openlijk belijden, strijden voor de zaak van het Rijk Gods en zegevieren. Amen.22

21 Naar een verslag van Ludwig Lenzen uit „Weite Welt”, nr. 1, januari 1976.

22 Imprimatur: Regensburg, 13.3.1977.

De vissen in het net van de Kerk

Veel mensen laten zich door onze volledig op het aardse gerichte en geloofsloze samenleving sterk beïnvloeden en maken zich, meestal gedwongen door de wet van de zonde, (vgl. Rom 7,23) los van de sacramentele levensstroom van de Kerk. Toch, ondanks alle schijnbare „vrijheid”23 in haar naam, waarbij vooral de zedelijke en godsdienstige waarden overboord worden gezet, heerst in vele harten diepe droefheid en eenzaamheid. Want wanneer wij ons als koppige kinderen van de geboden van God en van Zijn Kerk afkeren, staan wij uiteindelijk voor de chaos van een mislukt leven.

O onrechtvaardige wereld! U doet alles om Mij van het aangezicht der aarde te verjagen, uit de samenleving te verbannen. […] U smeedt listen om Mijn Kerk te vernietigen en haar dienaars te doden. […] En Ik zal u beschamen met Mijn liefde. […] Alleen al het woord „Wil van God” bevat een eeuwig wonder, waarmee niets gelijk kan zijn. […] Mijn wil bevat de substantie van alle vreugden, de bron van alle gelukzaligheden. Jezus tot de dienares Gods Luisa Piccarreta

23 Dat deze „vrijheid” ons ten slotte tot slaven maakt, tonen ons de woorden van Jezus in het Johannesevangelie. »Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken. […] Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: al wie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. De Zoon blijft voor eeuwig. Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn.« (Joh 8,31-36)

Wanneer wij God, de enige bron van alle vreugde, steeds meer „vergeten” en ons van Zijn heiligste wil verwijderen, dan verduistert zich geleidelijk ons geweten en slinkt het geloof. Want geloof en zonde kunnen op den duur geen goede buren zijn, en omdat men de zonde liefheeft en er niet van wil loslaten, moet het geloof wijken.

In het licht van deze waarheid preekt de heilige Paulus: Bewaar het geloof en een goed geweten. Omdat sommigen dit hebben prijsgegeven, heeft hun geloof schipbreuk geleden. (1 Tim 1,19)

Men is niet meer praktiserend katholiek, schimpt flink over godsdienst en Kerk, twijfelt aan de grondwaarheden van het christendom en wordt van de ene op de andere dag protestant of treedt definitief uit de Kerk. Over dit onderwerp merkte de heilige Cyprianus op: Laat niemand geloven dat de goeden de Kerk zouden kunnen verlaten. De stormen blazen kaf en stro weg, niet het koren.

Toen een jongeman zich tegenover de filosoof Pascal beroemde op het feit dat hij nu niet meer geloofde, gaf deze hem ten antwoord: „Werp de zonde van u af, en morgen zult gij weer gelovig zijn.”

Ook al willen de „kinderen van deze wereld” de leer van de Kerk en haar zedelijke eisen niet meer horen, toch zijn alle herders en gelovigen opgeroepen vast en trouw te staan voor het ware katholieke geloof. Vooral die priesters, die vasthouden aan de liefde voor de Heer en Zijn waarheid, gaan weliswaar de weg van het martelaarschap, maar zij behouden ondanks vele aanvechtingen hun waardigheid en worden tegelijk tot zegen voor een grote menigte zielen, die God hun heeft toevertrouwd. Zij strijden zoals een Johannes de Doper voor de onontbindbaarheid van het huwelijk en trekken zich daardoor de haat van „Herodias”, dat is „de wereld”, op de hals. Zoals een Stefanus leggen zij getuigenis af voor de waarheid van Christus en raken daardoor in de hevigste gevechten: Toen ze dit hoorden, werden ze woedend en knarsetandden tegen hem. (Hand 7,54) En zoals de zalige martelaarspriester Otto Neururer, die door de nazi’s werd vermoord omdat hij zich duidelijk uitsprak tegen het huwelijk van een jonge vrouw met een gescheiden nazi-officier die uit de Kerk was getreden, zo worden ook de trouwe priesters, zij het niet lichamelijk, maar wel geestelijk en psychisch, vervolgd om het heilige Evangelie. Ontelbare voorbeelden zouden hier nog verder kunnen worden aangehaald, die ons duidelijk tonen: Jezus verlaat Zijn Kerk niet, omdat zij Zijn geliefde bruid is en omdat Hij Zijn laatste druppel bloed voor haar heeft vergoten. Uit Zijn doorboorde Hart vloeit de bruiloftswijn van de heilige sacramenten, waarvan wij onszelf de vruchten voor tijd en eeuwigheid ontnemen, wanneer wij ons katholieke geloof verloochenen.

Juist dit ernstige verlies van geloof en van zedelijke waarden, die in de laatste decennia grotendeels zijn weggevallen, speelt een beslissende rol binnen de tragische misbruikaffaires, die het mystieke lichaam van de Kerk diepe wonden slaan.24

Vandaag leid de zielen van de ketters (zij die het ware geloof hebben verloren) en van de afvalligen (zij die uit de Kerk zijn getreden) naar Mij toe, en dompel hen onder in de zee van Mijn barmhartigheid. In het bittere lijden hebben zij Mijn Lichaam en Mijn Hart verscheurd: dat is Mijn Kerk. Wanneer zij naar de eenheid van de Kerk terugkeren, dan genezen Mijn wonden en verlichten zij daarmee Mijn kwellingen. Jezus tot de heilige Zr. M. Faustyna

24 Terwijl christenen sterven voor hun geloof en hun trouw aan Jezus, proberen in het Westen mannen van de Kerk de eisen van het Evangelie tot een minimum te herleiden. Wij gaan zelfs zover de barmhartigheid van God te gebruiken en de waarheid en de gerechtigheid te verstikken. […] Het ware schandaal is eigenlijk niet het bestaan van zondaars, want voor hen is er altijd barmhartigheid en vergeving, maar de onduidelijkheid over goed en kwaad, […]. Wanneer godgewijde mannen niet meer in staat zijn de radicaliteit van de boodschap van het Evangelie te begrijpen en proberen die in slaap te sussen, dan zullen wij van de weg afdwalen. Want hier hebben wij een werkelijke overtreding tegen de barmhartigheid. […] Er is vandaag een confrontatie en een opstand tegen God, een georganiseerde strijd tegen Christus en Zijn Kerk. […] (Robert Kardinaal Sarah, Gott oder Nichts, 2015)

Bemoedigende woorden van paus em. Benedictus XVI

In een diepgravende synthese geeft ons paus Benedictus XVI in zijn gepubliceerde brief heldere en bemoedigende impulsen voor een nieuw begin van de Kerk, die zich alleen kan richten op de gehoorzaamheid en de liefde tot onze Heer Jezus Christus. Een klein fragment van deze brief willen wij hier citeren:

Een eerste opdracht, die uit de morele ontreddering van onze tijd moet volgen, bestaat daarin dat wij zelf weer beginnen vanuit God en naar Hem toe te leven. Wij moeten vooral zelf weer leren God als fundament van ons leven te erkennen. […]

God is voor ons mens geworden. Het schepsel mens ligt Hem zo na aan het hart, dat Hij Zich met hem verenigd heeft en zo heel feitelijk in de mensengeschiedenis is binnengetreden. […] Daarover spreken wij weliswaar uitvoerig in de theologie met geleerde woorden en gedachten. Maar juist zo ontstaat het gevaar dat wij ons tot heer van het geloof maken in plaats van ons door het geloof te laten vernieuwen en beheersen.

Laten we dat eens bekijken ten aanzien van een centraal punt, de viering van de heilige Eucharistie. Onze omgang met de eucharistie is tamelijk zorgwekkend. In het Tweede Vaticaanse Concilie ging het er terecht om dit sacrament van de tegenwoordigheid van het Lichaam en Bloed van Christus, de tegenwoordigheid van Zijn persoon, van Zijn lijden, sterven en verrijzen weer in het centrum van het christelijk leven en van het leven van de Kerk te plaatsen. Deels is dat ook gebeurd en wij willen de Heer daarvoor van harte dankbaar zijn.

Maar algemeen overheersend is een andere houding: niet een vernieuwde eerbied voor de dood en de verrijzenis van Christus voert de boventoon, maar een manier van omgaan met Hem die de grootheid van het geheim beschadigt. De afnemende deelname aan de zondagse Eucharistie laat zien hoe weinig wij, hedendaagse christenen, nog de grootheid van de gave kunnen inschatten, die bestaat in Zijn werkelijke aanwezigheid. De Eucharistie wordt tot een ceremonieel gebaar teruggebracht als het als vanzelfsprekend wordt beschouwd, dat de beleefdheid vraagt haar bij familiaire feesten of naar aanleiding van huwelijk en begrafenis aan iedereen uit te delen die als familie is uitgenodigd. De vanzelfsprekendheid waarmee op sommige plaatsen eenvoudigweg alle aanwezigen ook het heilig Sacrament ontvangen, laat zien, dat men in de Communie alleen nog maar een ceremonieel gebaar ziet.
Primaatskerk aan het meer van Genesareth
Primaatskerk aan het meer van Genesareth
Als wij dus erover nadenken wat wij moeten doen, wordt het duidelijk, dat wij geen Kerk nodig hebben die door onszelf bedacht is. Wat nodig is, is veeleer een vernieuwing van het geloof aan de ons geschonken werkelijkheid van Jezus Christus in het Sacrament. […]

De crisis die door de vele misbruikgevallen van priesters veroorzaakt werd, leidt ertoe de Kerk bijna te zien als iets wat mislukt is, dat wij nu zelf ter hand moeten nemen en opnieuw gestalte moeten geven. Maar een Kerk die door ons zelf gemaakt wordt, is niet iets waarop we kunnen hopen.

Jezus zelf heeft de Kerk vergeleken met een visnet waarin goede en slechte vissen zitten, die op het eind door God zelf gescheiden moeten worden. Daarnaast staat de parabel van de Kerk als een akker waarop het goede graan groeit, dat God zelf gezaaid heeft, maar ook het onkruid dat „een vijand” stiekem ook daarop gezaaid heeft. Inderdaad is het onkruid in de akker van God, in de Kerk overduidelijk zichtbaar, en de slechte vissen in het net laten eveneens hun kracht zien. Maar desondanks blijft de akker de akker van God en het net het visnet van God.

En er is in alle tijden niet alleen het onkruid en er zijn niet alleen de slechte vissen maar ook het zaad van God en de goede vissen. Dit met nadruk allebei verkondigen is geen valse apologetiek (verdediging) maar een noodzakelijke dienst aan de waarheid.

In deze samenhang is het noodzakelijk te wijzen op een belangrijke tekst in de Openbaring van Johannes. De duivel wordt daar aangeduid als de aanklager die onze broeders dag en nacht bij God aanklaagt. (Openb 12,10) De Apokalyps herneemt hier een gedachte die centraal staat in de raamvertelling van het boek Job. (Job 1 en 2,10; 42,7-16) Daar wordt verteld dat de duivel voor het aanschijn van God de gerechtigheid van Job negatief als slechts uiterlijk probeerde voor te stellen. […] Voor de christenen is het duidelijk dat Job, die voor de totale mensheid als een voorbeeld voor God staat, Jezus Christus is. In de Apokalyps wordt het drama van de mensheid in zijn volle breedte weergegeven. Tegenover de Schepper God staat de duivel, die de totale mensheid en de totale schepping in een ongunstig daglicht plaatst. Hij zegt niet alleen tegen God maar vooral ook tegen de mens: kijk eens wat deze God gedaan heeft. Zogenaamd een goede schepping. In werkelijkheid is zij in haar totaliteit vol ellende en walging. Dat negatief spreken over de schepping is in werkelijkheid een negatief spreken over God. […]

Het gaat in onze tijd in de aanklacht tegen God vooral erom Zijn Kerk als geheel in een kwaad daglicht te stellen en ons zo van haar af te brengen. De idee van een Kerk die door ons zelf beter wordt opgebouwd, is in feite een plan van de duivel waarmee hij ons wil afbrengen van de levende God door een leugenachtige logica waar wij al te gemakkelijk intrappen. Nee, de Kerk bestaat ook vandaag niet alleen uit slechte vissen en uit onkruid. Gods Kerk bestaat ook vandaag en zij is hier en nu het werktuig waardoor God ons redt. Het is heel belangrijk tegenover de leugens en de halve waarheden van de duivel de hele waarheid te stellen; ja, er is zonde in de Kerk en slechte dingen. Maar ook nu bestaat er de heilige Kerk die onverwoestbaar is. Er zijn ook nu vele nederige, gelovige,25 lijdende en liefdevolle mensen in wie de echte God, de liefdevolle God Zich aan ons toont. God heeft ook nu Zijn getuigen („martyres”) in de wereld. Wij moeten alleen alert zijn om hen te zien en te horen.

Het woord martelaar komt uit het procesrecht. In het proces tegen de duivel is Jezus Christus de eerste en eigenlijke getuige voor God, de eerste martelaar, die sindsdien door ontelbaren gevolgd is. De Kerk van vandaag is meer dan ooit een Kerk van martelaren en zo getuige van de levende God. Als wij met een waakzaam hart om ons heen kijken en luisteren, dan kunnen we tegenwoordig overal, juist onder de eenvoudige mensen maar ook in de hogere rangen van de Kerk, getuigen vinden, die met hun leven en hun lijden voor God opkomen. Het is een traagheid van hart als we hen niet willen zien. Tot de grote en wezenlijke taken van onze verkondiging hoort het, voor zover wij kunnen, woonplaatsen van geloof te scheppen en vooral ze te vinden en ze te erkennen. […]26 Paus em. Benedictus XVI

25 Wanneer Jezus bij Mk 9,42 waarschuwt dat men »een van deze kleinen die geloven, aanstoot geeft«, dan bedoelt Hij daarmee „de eenvoudige gelovigen, die door de intellectuele hoogmoed van degenen die zichzelf slim achten ten val kunnen worden gebracht.” (Uit de ongekorte tekst ibid.)

26 kath.net/pl, 2019.

Ik ben de moeder van alle kinderen van deze wereld; waarom smaadt gij mij, wereld? Ik was het verlangen van alle tijden. Ik ben de straat van al hun straten: op mij trekken de millennia naar God. Gertrud von le Fort
Het heilige Misoffer in de catacomben

Het heilige Misoffer in de catacomben

De vervolgde Kerk

De zalige Kruiszuster Zdenka Schelingová,27 die in 1916 in Kriva (Tsjechoslowakije) werd geboren, is een voorbeeld van een ontelbare schare martelaren, die hun leven hebben geofferd uit liefde tot Christus en Zijn Kerk.28

Zr. Zdenka had een buitengewone innerlijke evenwichtigheid, en uit haar ogen straalde iets ongelooflijk geheimzinnigs. De eigen tere, bescheiden glimlach werd voor haar tot leidmotief, zodat zij haar dagboek begon met de woorden: Pluk met een glimlach de kleine rozen van het lijden, spreek met een glimlach, help met een glimlach, aanvaard met een glimlach onrecht … Verberg met een glimlach alles wat je pijn doet … Schrijd met een glimlach naar Golgota. Daar zul je Hem vinden, die elke boosheid, elke valsheid, elke menselijke dwaling veel eerder kende dan jij.

Hoe diep haar leven in het offer van Jezus verankerd was, tonen ook de volgende woorden: Achter de donkere wolken schijnt mijn geliefde zon … Van het altaar van de Heer ga ik naar het altaar van mijn werk, naar het ontbijt en dan naar de ziekenzaal. Overal moet ik het offer van het altaar voortzetten, zonder vrees en met vreugde.

Met het doel de Kerk te vernietigen, hebben de communisten vanaf 1950 alle kloosters en priesterseminaries opgeheven. Op 20 februari 1952 gebeurde het dan: in het ziekenhuis waar Zr. Zdenka werkte, werd alarm geslagen. In de vorige nacht was een patiënt, de door marteling zwaar mishandelde priester Štefan Koštial, gevlucht. De politie bezette zelfs de kapel, waar de zusters juist bij de heilige Mis waren, en Zr. Zdenka dacht: Nu is het zover, nu zal ook ik gaan, want zij was het geweest die de priester bij de vlucht had geholpen. Maar de onopvallende zuster werd aanvankelijk niet verdacht. Pas negen dagen later werd zij inderdaad gearresteerd. Een door haar voor die dag voorbereide tweede vlucht van nog drie priesters en drie seminaristen was ontdekt. In de gevangenis volgden vier maanden van wrede verhoren. Zr. Zdenka werd herhaaldelijk brutaal gemarteld en daarna met wonden bedekt in de cel teruggesleept.

Toen zij eens bijna doodgeslagen werd, fluisterde zij een medegevangene toe: De vergeving is het grootste in het leven.

Toen de justitiële autoriteit zag dat Zr. Zdenka ten gevolge van de brutale martelingen en de drieënhalf jaar in vijf gevangenissen doodziek was, besloot men de ordezuster op 16 april 1955 voorwaardelijk vrij te laten. De regering wilde om geen prijs dat men haar als martelares zou beschouwen.

De laatste drie maanden bracht Zr. Zdenka door op de kankerafdeling. Zij bad veel en straalde ondanks grote pijn diepe vrede uit.

In de nacht van zaterdag op zondag, 31 juli 1955, verslechterde de toestand van de zieke, en omdat zij voelde dat haar leven ten einde liep, vroeg zij in de vroege ochtend om de heilige Communie. Rustig en stil stierf Zr. Zdenka op achtendertigjarige leeftijd, terwijl in de kapel het heilige Misoffer werd gevierd.29

27 Groottante van P. Dr. Bernhard Vošicky OCist (Heiligenkreuz).

28 De martelaren zijn het teken dat God leeft en altijd onder ons tegenwoordig is. Zijn barmhartige liefde openbaart Zich in Jezus Christus, die heeft beloofd Zich niet af te keren van Zijn Kerk en van hen die ervoor hebben gekozen Hem trouw te volgen: »Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.« (Mt 28,20) Nu: Zijn tegenwoordigheid is tastbaar in Zijn vervolgde discipelen: »Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Hij antwoordde: Wie zijt gij, Heer? Die zei: Ik ben Jezus, die gij vervolgt.« (Hand 9,4-5) (Uit Gott oder Nichts van kardinaal Robert Sarah)

29 Zie Triumph des Herzens nr. 78.

Heilige aartsengel Michaël, gij die in de hemel de troon van de Allerhoogste hebt verdedigd tegen de aanval van Lucifer, beschut op aarde de plaatsvervanger van God, de paus, en de katholieke Kerk. Amen.

De bekering van een acteur

Onder de voorbeelden van echte bekeringen, die zich door het werk van de heilige P. Pio (1887 – 1968) in San Giovanni Rotondo hebben voorgedaan, steekt vooral ook de bekering van de acteur Carlo Campanini uit. […]

Campanini’s weg naar de bekering was niet makkelijk geweest. Hij was in een arm gezin geboren, maar had een zeer vrome moeder. Carlo vertelt: Als ik ooit iets goeds heb gedaan, dan alleen omdat zij van daarboven voor deze ongelukkige zoon heeft gebeden. Wie weet wat er zonder haar gebeden van mij zou zijn geworden. […]

De „vonk van P. Pio” heeft, zoals hij zegt, in hem ontvlamd toen hij 19 was. Hij werkte toen in Argentinië voor een theatergezelschap uit Piemonte. Op een dag zei hij tegen zijn vriend: In God geloven was eenvoudig, toen men nog grote heiligen zoals Franciscus van Assisi kon ontmoeten. Maar vandaag zijn er helaas geen grote heiligen meer.

Zijn gesprekspartner antwoordde: Nou, er zijn nog wel heiligen. Wij hebben er één in Italië: hij heet pater Pio. Een kapucijnermonnik, die de wondmerken van Christus draagt en zijn lijden voor de wereld opoffert. Deze woorden maakten diepe indruk op Carlo.

Campanini’s ontmoeting met de pater vond enkele jaren later plaats. Hij vertelde zelf in de gebedsgroepen van P. Pio: Ik was ontspoord, omdat ik helaas van de tien geboden van onze Heer er maar acht kon aanvaarden; de andere twee stoorden mij, en daarom had ik ze allemaal verworpen en leefde ik als een beest. […]

Eind 1949 had ik het hoogtepunt van mijn roem bereikt, ik draaide drie films tegelijk, allen benijdden mij en zeiden tegen mij: U hebt het goed, tussen al die mooie vrouwen, met hun dure auto’s … Ik kan daarop alleen zeggen hoe het mij te moede was. Ik haatte mijn leven.

Op 10 januari 1950 stapte ik in de auto en reed naar P. Pio. Ik meldde mij aan voor de biecht en wachtte. De beurt kwam aan mij. Toen ik mijn mond wilde openen, zei P. Pio tegen mij: Zeg mij alles vanaf 1946. U kunt zich voorstellen hoe mij te moede was.

Terwijl ik sprak, keek ik naar de grond. Hij zei mij: Kijk mij aan! Kijk mij in het gezicht. Maar ik kon het eenvoudig niet. Toen zei de pater: U schaamt zich voor mij, die een niets ben, maar Hem hebt u gekrenkt, zonder erover na te denken. […] Alles wilde hij horen. En pas toen ik hem beloofde mijn hele leven te veranderen, gaf hij mij de absolutie. Sindsdien heb ik werkelijk begonnen te leven.

Veracht uw verleidingen en blijf er niet bij stilstaan. Stel u Jezus, de Gekruisigde, voor in uw armen en aan uw hart, kus Zijn zijwond en zeg daarbij: Hier is mijn hoop, hier is de levende bron van mijn geluk. Ik houd U vast, mijn Jezus, en ik ga niet van U weg, totdat U mij in veiligheid hebt gebracht. H. P. Pio
De nachtmis van de vervolgden (Gebhard Fugel, rond 1920)

De nachtmis van de vervolgden (Gebhard Fugel, rond 1920)

De heilige Mis

De pater leidde Carlo tijdens zijn verblijf in San Giovanni Rotondo niet alleen terug in de genade van God, maar leidde hem ook bij de eerste stappen van zijn nieuwe leven. Als grondslag legde hij de heilige Eucharistie.

Campanini bekent openlijk dat hij noch de waarde van de heilige Mis, noch die van de heilige Communie had begrepen, en dat hij, zoals zo velen, dacht dat men ook zonder de heilige Mis bij te wonen een goede christen kon zijn.

Wanneer hij de pater aan het altaar observeerde, hoe hij de geconsacreerde hostie aanzag, vroeg hij zich af: Wat betekenen deze tranen en dit bloed, dat van zijn handen druipt? Waarom lijdt hij zo? Waarom legt hij dag na dag zo’n pijnlijk getuigenis af voor de ogen van de mensen?

De acteur vertelt: Op een dag, terwijl ik mij deze vragen stelde, hoorde ik duidelijk een stem in mijn hart zeggen: Kijk ook naar dat kruisbeeld. […] Hoe vaak hebt u zich niet op die doornenkroon gesteund om die nog dieper in het vlees te drukken; hoe vaak hebt ook u met de hamer op die gewonde handen en voeten geslagen?

Ik begon te wenen en had het liefst voor alle mensen in de kerk een algemene biecht afgelegd. Ik voelde een pijn, zoals ik die nog nooit in mijn leven had gekend. En tegelijk werd mij bewust dat ik geen nieuwe boodschap had ontvangen: die woorden herinnerden mij eraan dat men mij al als kind in de catechismus had verteld dat Jezus voor ons is gestorven en dat Zijn offer zich in de heilige Mis vernieuwt. En ik zou nog een teken krijgen.

De ochtend voor mijn vertrek ging ik naar het altaar om de heilige Communie te ontvangen. Toen de pater mij de hostie gaf, voelde ik dat zij op mijn tong brandde, alsof hij er een fakkel op had gelegd.

In de manier waarop men de heilige Communie ontvangt, moet die liefdevolle eerbied en dat teergevoel weerspiegeld worden, waarmee de Kerk haar goddelijke Bruidegom omgeeft in de onopvallende gedaanten van brood en wijn. Uit de constituties van de Kapucijnessen van de Eeuwige Aanbidding in Salzburg

Ik heb mij achter de kerk verborgen om mijn tranen van vreugde en ontroering te verbergen. Ik voelde werkelijk de tegenwoordigheid van God. Op die dag beloofde ik Jezus uit dankbaarheid dat Hij mij het geschenk van de heilige Eucharistie had doen begrijpen, dat ik dagelijks naar de heilige Mis zou gaan en zou communie doen.

Toen ik weer in Rome was, zei men mij dat ik overdreef en op het punt stond een fanaticus te worden, omdat zelfs de Kerk maar één communieontvangst per jaar en de heilige Mis op zondag verlangt. Maar ik bleef mijn belofte trouw.30

De liefde tot het lijden

P. Pio heeft Campanini veel geleerd, maar wat hem het meest heeft getroffen en wat hij voor de belangrijkste leer houdt, is de liefde tot het lijden. Op een dag zei de pater in de biecht tegen hem: Mijn zoon, als de mensheid de waarde van het lijden zou kunnen begrijpen, zouden de mensen niet meer naar genoegens streven, maar alleen nog naar pijn.

Carlo geeft toe dat hij over deze woorden van de heilige ontsteld was; hij kon ze niet begrijpen. Maar toen hij in de loop van de tijd met de pater steeds vertrouwder werd, eigende hij zich deze leer toe. Hij zei: Ik zag het onzegbare lijden van de pater en zag dat hij het blijmoedig opofferde voor de redding van onze zielen. Toen ben ook ik langzamerhand begonnen te begrijpen dat ik ondanks mijn ellende door mijn lijden iets aan de Heer van het heelal kon aanbieden.31

30 Honderdduizenden hebben in diepe ontroering de misviering van P. Pio in San Giovanni Rotondo bijgewoond, zijn wenen en zijn bloedende stigmata gezien, en daarbij iets gevoeld van het ontzaglijke drama dat zich voltrekt bij de vernieuwing van het offer van Golgota.

31 „Der Padre”, deel 1, van P. Marcellino Iasenza Niro, 2006.

Dagelijkse opoffering

Eeuwige Vader, door de zuiverste handen van Maria leg ik in de kelk die vandaag elke priester op het altaar verheft, mijn gedachten, mijn werk, mijn moeiten en lijden, mijn heden, mijn verleden, mijn toekomst, al mijn zonden, al mijn dierbaren, alle zielen in de wereld, de arme zielen, de dood zelf.

Ik offer U op, elke slag van mijn hart, elke ademtocht, elke stap, elke klank, met de bedoeling dat elk van deze handelingen van mij door U wordt omgevormd tot evenzovele daden van liefde ter genoegdoening voor de zonden van de wereld. Geef dat, in vereniging met Uw Zoon Jezus Christus, mijn dag een voortdurende Mis zij, een onophoudelijk offer,32 een eeuwige communie, om aan Uw goddelijke rechtvaardigheid genoegdoening te verschaffen! Amen.33

32 Zoals Jezus dagelijks Zijn volledige offer in de heilige Mis vernieuwt, zo mogen ook wij bij het heilige Misoffer onze overgave overeenkomstig onze levensstaat vernieuwen, die wij verenigd met het offer van Christus aan de Hemelse Vader aanbieden. Elke lof, elke bede en elke opoffering is als een schepemmer, waarmee wij telkens weer nieuwe genaden scheppen uit de onuitputtelijke rijkdommen van het Hart van God.

33 Imprimatur: 28.12.1970.

De Goddelijke Ster en de bruidelijke ziel

Jezus, de Heiland, Hij is mijn ster.
Voor Hem alleen te leven, o, dat wil ik graag.
Niet alleen vanuit de hemel schijnt Hij mij toe,
neen, ook diep in het hart, voor altijd.
Eens was Hij een sterretje in de heilige schoot,
verborgen als mens en toch GOD, almachtig en groot.
Van het eeuwige besluit van oudsher bepaald,
zou het WOORD GODS een kind worden.
De Heilige Maagd, zij heeft Hem gebaard;
MARIA, haar naam, GOD heeft haar verkoren.
Zij heeft mij zo lief en leidt mij naar de ster,
o Zijn Moeder, hoe heb ik haar graag!
Moet niet de wereld van verbazing vergaan?
Zij heeft toch de ster van de hemel op aarde gezien!
Wandelend vol liefde in goddelijke genade,
om te lichten de schaapjes in armoede en schuld.

Op Golgota boven, ik kan het niet vatten,
mijn ster verbleekt liefdevol aan het kruis.
O nu is het zo donker en nacht in de wereld,
maar na drie dagen verlicht Hij alles.
Nu woont Hij bij de Vader in het hemelgewelf
en straalt vol goedheid over de hele wereld.
Hij heeft evenwel beloofd dat Hij ook hier blijft,
in de tabernakel verborgen, daar schijnt Hij mij toe.

Ik hoef slechts snel naar het kerkje te gaan,
daar woont Hij vol liefde en wacht op het kind.
Aanbiddend en verwonderd kniel ik dan hier,
totdat Hij mij vraagt: „Mijn kindje, wat wenst u van Mij?”
„O ster, o ster, dat toch de schaapjes naar U mogen vinden!”
Luister eens naar wat Hij mij antwoordt:
„Heb lief en lijd en bid daarvoor,
dan zal Ik hen leiden naar de hemelpoort!”
Ik vraag de ster nog: „O zeg mij toch,
wat betekent ik dan voor U?”
Zo hoor ik Hem vol vreugde tot mij zeggen:
„Kindje, meisje, bruid van Mijn hart, is het zo naar uw zin?”
Nu wil Hij weten of ik Hem ook lief heb.
„O ster, Gij weet alles, alleen U heb ik lief!”
En al wilde men mij geven, goud en geld, ja zelfs landen,
dan zou ik alleen zeggen: dat is toch niet waar.
De ster bezit alles, ja, alles alleen,
en verbaas u, o wonder: Hij is de mijne.
Door de adem van Zijn mond ontstaan werelden,
niet één gedachte kan Hem ontgaan.

Is het mij ook soms erg angstig en zwaar,
ik wil Hem altijd nog meer vertrouwen.
Alleen uit liefde zendt Hij mij lijden,
want Hij kent de waarde ervan voor de eeuwigheid.
En kwam ik een mensenkind tegen dat zo geheel verloren was,
dan zou ik het meteen vragen: „Ben jij soms onder de rovers gevallen?
Kom snel, laten wij naar de ster lopen, Hij heeft ook jou lief,
en weldra zul je zo gelukkig zijn als ik.”
Wanneer dan mijn leven eens afgelopen is,
dan schijnt mijn ster mij in het hemelse huis.
Mijn hart wil barsten van gejuich en geluk,
eindelijk thuis, ben ik helemaal verrukt.
De engeltjes in de hemel zingen luid:
„O zie, o zie, nu komt de bruid!”
Hij drukt mij vol liefde aan het goddelijk Hart
en wist uit mijn oog alle tranen en pijn.
Nu woon ik bij de ster vol zaligheid
en houd met Hem bruiloft in eeuwigheid.
Dank zij de HEER, die mij heeft aanschouwd
als Zijn kleine hartsbruid.
En heb ik Zijn Heilig Hart bedroefd,
dan wil ik alleen wenen vol berouw en pijn.
Dan schijnt Hij mij rood toe met heilig Bloed
en wast mij rein in purperen gloed.

Ook voor jou, mijn ziel, is Hij niet ver,
Hij wacht vol liefde en heeft je zo lief!
Mijn ster kijkt sinds de eeuwigheid al naar mij;
geloof je soms dat Hij niet ook aan jou denkt? Kapucijnessen van de Eeuwige Aanbidding
Zie, Ik kom spoedig, en mijn loon breng Ik mee, om ieder te vergelden naar zijn werk. … Ik ben de Wortel uit het geslacht van David, de stralende morgenster. De Geest en de bruid zeggen: Kom! … Ja, Ik kom spoedig. – Amen. Kom, Heer Jezus! Openb 22,12-20
Zalige Angelina van Marsciano

Zalige Angelina van Marsciano

Gebed om geestelijke roepingen

Heer Jezus, zoals Gij eens de eerste leerlingen hebt geroepen en tot mensenvissers hebt gemaakt, laat ook vandaag steeds Uw goede uitnodiging klinken: „Kom en volg Mij!” Geef de jonge mannen en vrouwen de genade om Uw roep bereidwillig te beantwoorden! Sta onze bisschoppen, de priesters en de religieuzen in hun moeizame zielzorgarbeid bij. Geef volharding aan onze seminaristen en allen die het ideaal van de volledige overgave in Uw dienst trachten te verwezenlijken. Wek in onze gemeenschappen de missionaire geest op. Zend, Heer, arbeiders in Uw oogst en laat niet toe dat de mensheid door het ontbreken van priesters, missionarissen en religieuzen het Evangelie te weinig leert kennen.

Maria, Moeder van de Kerk, voorbeeld van elke roeping, help ons de Heer, die ons roept om aan het goddelijke heilsplan mee te werken, met „ja” te antwoorden. Amen. H. paus Johannes Paulus II
De heilige Mis is mijn hemel op aarde! H. Laurentius van Brindisi
Zalig zijn die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. Openb 19,9